Over lijden, traditie, cultuur en verlichting!

Beste vrienden,

Dat onze kerk moeite heeft met het onderwerp familiaal geweld, is niet zo vreemd. De heilige boeken uit onze traditie zijn al vele eeuwen oud en ze weerspiegelen de cultuur van de dagen waarin ze zijn ontstaan en op­getekend. In die cultuur was er ruimte voor lijfstraffen, en die bleven ook niet beperkt tot rovers en moordenaars. Lijfstraffen waren ook in de huiselijke kring normaal en werden veelvuldig toegepast. Niet omdat men er genoegen aan beleefde echtgenote of de kinderen te pijnigen, maar omdat men er toen echt van overtuigd was dat lijfstraffen corrigerend werkten en dat ze degene aan wie ze werden toegediend, uiteindelijk tot een beter mens deden uitgroeien.

In de vele eeu­wen die volgden veranderde die visie echter ingrijpend. Lijfstraffen bleken helemaal niet zo'n gunstige uitwerking te hebben op de mensen die ze ondergingen. Ze werden er eerder wantrouwig, haatdragend en ge­remd door, dan dat het bijdroeg aan hun optimale ontplooiing en groei. En niet zelden werden slachtoffers later zelf ook daders: dikwijls uit pure onmacht. Want ze hadden niet anders leren communiceren en omgaan met anderen dan met gewelddadigheid, kleinering en onderdrukking. Ook de kerk is daarbij zeker niet vrij te pleiten: vanaf de kansel werden pas­sages uit de Schriften gelezen die er niet om logen. Die luid en duide­lijk verkondigen dat tuchtiging een goede zaak is en dus toegepast moet worden in opvoeding en onderricht. De passage uit de Hebreeën-brief is daar een weerzinwekkend voorbeeld van. Juist omdat dit soort gedachten in de Bijbel terug te vinden is, rust er een zware taak op uitleggers en verkondigers. Want voor gelovigen is de Bijbel een boek met gezag. Voor veel mensen is het woord van kaft tot kaft letterlijk een door God gegeven woord. En wie zijn wij dan om daar ook maar een punt of komma aan te wijzigen?

In het missaal staat boven de tweede lezing van vandaag nog:  `Het lij­den dat God ons overzendt, maakt ons tot betere mensen.' Dat is zo'n zin waarbij de haren je ten berge rijzen. En als ge nog verder leest, wordt het nog erger. Want wat moet ge met zinnen zoals: `Tucht is het deel van allen; zou u elke kastijding gespaard blijven, dan waart ge bastaards, geen echte kinderen'. Weliswaar is deze zin in de lezing achterwege gelaten, maar dat maakt het alleen maar erger. Want de context verandert niet. In de Hebreeën­brief wordt ondubbelzinnig een pleidooi gehouden voor tuchtiging en kastijding als middel om liefde te laten blijken en mensen op te voeden.  De verleiding om zo’n tekst weg te laten is dan ook erg groot. En toch is het misschien beter om zo'n tekst in al zijn gruwelijk­heid toch maar naar voren halen en er uitleg aan geven. Het is ook geen onschuldige tekst. Hoeveel mensen hebben zich niet met deze woorden verschoond na het stevig aanpakken van mensen die aan hun zorgen waren toevertrouwd: want het staat toch in de Bijbel. En nog veel meer mensen werden `getroost' met de woorden dat God je laat lijden om je de kans te geven om een beter mens te worden.  Het geheim ligt in de koppeling van geweld en liefde. Het staat er letterlijk: `De Heer tuchtigt wie hij liefheeft'. En de conclusie ligt dan voor de hand: hoe meer ge wordt geslagen, om zo gelukkiger kunt ge uzelf prijzen. Diegene die u naar het leven staat, heeft het goed met u voor. De schade die deze woorden hebben aangericht, is niet te overzien. Het feit dat het wordt 'rechtgepraat' door er een hoger doel aan te ver­binden maakt het nog erger. Het goede doel is hier `de heilzame vrucht van een heilig leven'. Maar tuchtiging zoals ze wordt voorgesteld in de Hebreeën-brief, berokkent altijd schade aan lichaam en geest. En ook al kan schade herstellen, ze laat blijvende littekens achter, en meestal ook ernstige verminkingen. Lichamelijke verminkingen, maar vooral ook schade aan de geest en de ziel. Die schade staat loodrecht op het doel: heilig, heel worden. De combinatie van geweld en liefde is levensgevaarlijk. Ze maakt mensen klein en kwetsbaar. Ze maakt hen monddood en ontneemt hen elke verantwoordelijkheid voor hun eigen leven. Want wat moet ge met een zin als `Het lijden dat God aan ons geeft, maakt ons tot betere mensen'? Ge zult maar ongeneeslijk ziek zijn en niet weten waar ge het moet zoeken van de pijn. Ge zult maar voor de zoveelste keer bont en blauw geslagen worden door je partner en je leven niet meer zeker zijn. Je zult maar het kind zijn dat wordt misbruikt door een ouder of familielid.

Goede vrienden,

In lijden op zich zit geen enkele zin. Lijden op zichzelf is volstrekt zinloos. Het heeft ook helemaal niets met God te maken, maar het maakt deel uit van het men­selijk leven. Ieder van ons krijgt zijn of  haar eigen portie. Door ongeluk of ziekte of ook door onrecht, mishandeling of geweld. Al dat lijden, lichamelijk en geestelijk, is volkomen zinloos. En toch zeggen er veel mensen dat ze gegroeid zijn aan die moeilijke momenten van lijden en pijn. Hoe kan dat dan?  Soms lukt het mensen om aan al dat zinloze lijden toch een zin te geven. Zij zijn in staat om dat wat hun overkomen is een plaats te geven in hun leven. Op die manier kunnen ze het leed han­teren, en neemt het niet de overhand.   

Het getuigt van veel moed en kracht om iets wat zo veel pijn en verdriet met zich meebrengt, om te buigen tot iets wat zin krijgt en positief wordt. Dat mensen zich in dat proces van zingeving gesteund weten door hun geloof in een God die leven geeft, dwingt respect af. Mensen zien voor zichzelf nieuwe kansen en toekomst, hoe ongewis die misschien ook is. Daarin herkennen we de oeroude godsbeelden van barmhartigheid en lief­de. Van opkomen voor kleinen en verdrukten, van tederheid en wijs­heid. Van je gedragen en getroost voelen. Van de God die, zoals Jesaja ver­kondigt, in glorie zal verschijnen aan allen, en die een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal brengen. Een God die ook nieuwe kansen geeft en de deur op een kier houdt. Maar pas nadat ge zelf hebt willen inzien wat ge gedaan hebt en wat u te doen staat: gerechtigheid en vrede brengen, op­komen voor misdeelden en kleinen.

Die keuze houdt Lucas ons voor: probeer voor anderen zo goed te zijn als God. Als ge u daar, iedere keer opnieuw, oprecht voor inzet, blijft die deur ook voor u op een kier staan. Maar als  ge u daar niets aan gelegen wilt laten liggen, als onrecht en geweld voor jou de normaalste zaak van de wereld zijn, als ge niet tot inkeer komt en de confrontatie niet aandurft, dan kan de deur vroeg of laat wel eens voor je neus dichtvallen en krijgt ge op uw vraag: `Doe open' het antwoord: `Ik weet niet waar ge vandaan komt. Ga weg van mij.' Gered wordt ge pas als ge ook gered wilt worden. Als ge van machtheb­ber machteloze wilt worden, als ge uw rol van geweldenaar inruilt voor die van ontrechte. Pas dan kunnen anderen op u toekomen en u een hand reiken. En als ge die hulp aanpakt, gaat de deur voor je open.

 Amen