21° Zondag C (2013)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 419 niet laden

Als je in het buitenland op vakantie bent of daar werkt of op bedevaart gaat, kan het je als Nederlander opvallen hoe godsdienstig de bevolking daar is. Zo zijn er in Brazilië vele kerken en is de bevolking zeer kerkbetrokken. Nairobi, de hoofdstad van Kenia, staat niet voor niets bekend als "het Vaticaan van Afrika". In Indonesië schalt het van 's morgens tot 's avonds meermalen vanaf de moskee dat God groot is. Ik noem maar een paar voorbeelden uit mijn eigen recente ervaring. Je kunt er een beetje jaloers van worden: zij hebben dat, wij niet.

Welbeschouwd betreft dit het meest in het oog springende, het direct waarneembare. In elk van deze voorbeeldlanden kun je ook schaduwzijden aanwijzen. Toen een Braziliaan mij erop aansprak dat in Nederland bijna niemand meer naar de kerk gaat, vroeg ik hem hoe het kan dat in zo'n godsdienstig land als Brazilië zoveel moorden worden gepleegd; hoe valt dat met elkaar te rijmen? Ja, daar had hij toch geen antwoord op, jammer genoeg. In Kenia zijn veel overvallen, geweld tussen stammen en corruptie. De arme bevolking lijdt er het meest onder. Ook in Indonesië is veel geweld en de corruptie heeft inmiddels zulke vormen aangenomen, dat de ekonomie er niet kan groeien. De bevolking wordt op sommige plekken zelfs bewust arm en dom gehouden [vs. Heb 12,12]. Bovendien wordt er met de natuur, met de schepping, omgegaan alsof zij niet stuk kàn.

Het omgekeerde zien we ook: vele christelijke waarden, waarden die in de christelijke ethiek centraal staan, worden in het zo geseculariseerde Nederland ironisch genoeg algemeen aanvaard en gevolgd. Corruptie, geweld en moord, de aantasting van de natuur, ze roepen bij zeer velen verontwaardiging op. Menigeen zet zich in voor meer rechtvaardigheid en voor hulp aan hen die het minder goed getroffen hebben dan hemzelf. En als ik 's avonds laat nog even een stukje wil lopen of fietsen door de stad, is het daarvoor in principe veilig genoeg.

In onze tijd, waarin Kerk en godsdienst steeds meer uit het publieke domein worden geweerd, kunnen we zien dat de geloofsgemeenschap zich steeds meer terugtrekt op haar eigen eiland. Gelovigen richten hun blik steeds meer naar binnen. De wereld "daarbuiten" wordt afgeschilderd als een woestijn, die gekerstend moet worden. En binnen in de Kerk vechten mensen elkaar de tent uit over quaesties als welke liederen er wel en niet gezongen mogen worden. "Als wij intern de zaken maar goed op orde hebben," is de gedachte, "zal het met de geloofskrisis en de Kerk in ons land wel weer goed komen."

Jezus toont ons vandaag echter een andere weg. Mensen die met Jezus hebben gegeten en gedronken en die naar Zijn onderricht hebben geluisterd, worden mogelijk niet binnen-gelaten in Gods huis! [Lk 13,26] M.a.w., deelname aan de Eucharistie is geen toegangsbewijs tot het huis van God. Het is een boodschap die godsdienstige mensen verontrust – tenminste, dat hoop ik dan. Eucharistie vieren en Bijbel lezen zijn niet voldoende; "Ga weg allemaal, bedrijvers van onrecht die u bent!" [Lk 13,28]. Het komt er dus op aan hoe wij datgene wat we vieren en van de Heer leren, in de praktijk brengen: zijn óók onze daden rechtvaardig? Doen wij in ons spreken, doen en laten recht aan God en medemens? "Geef aan God wat God toekomt en aan een mens wat de mens toekomt" [cf. Lk 20,25]. Laten wij ons leven dáád-werkelijk vernieuwen door het voorbeeld en de woorden van Jezus? [Het openingslied was "Vernieuw Gij mij, o eeuwig Licht.] Of beperkt ons geloven zich tot dat uur op zondag in de kerk? Brengen wij zo in onszelf a.h.w. een scheiding aan tussen Kerk en staat, tussen geloven en het dagelijkse leven?

In de ogen van Jezus zijn geloof in God en het dagelijkse leven onlosmakelijk met elkaar verweven [Lk 10,25-11,13]. In Westerse landen zijn we misschien (misschien!) wat beter in het de mensen te laten toekomen wat de mens toebehoort: onder het mom van mede-

menselijkheid, beschaafdheid en fatsoen. In andere delen van de wereld is men misschien (misschien!) wat beter in het expliciet God laten toekomen wat Hem toebehoort: onze eerbied, ontzag, dankbaarheid, vertrouwen en toewijding [Ps 117 etc.].

Maar Jezus gaat nog een stap verder in de omkering. Velen [Mt 19,30. Mk 10,31] die denken dat ze bekenden zijn voor de Heer, blijken Hem onbekend [Lk 13,25b]. Zij die "eer aan God" niet weten te verbinden met "vrede op aarde" [Lk 2,14 >> het Gloria cf. Ba 5,4], hebben echt een probleem, zogezegd. Tegelijkertijd zijn er mensen die onbekenden zijn voor de zogenaamde gelovigen, maar die juist huisgenoten van God [Ef 2,19] blijken. Het is niet een bepaalde groep die beter zou zijn; Jezus leert ons om niet te denken in "wij-en-zij"; dezen, die de weg van de gerechtigheid bewandelen, komen overal vandaan: "uit het Oosten, het Westen, het Noorden en het Zuiden" [Lk 13,29a]. Zij zijn welkom in Zijn huis en zijn uitgenodigd om aan te zitten [Lk 13,29b cf. Ps 15]. Zij waren laatsten [cf. "de volkeren" Js 66,18] – ver verwijderd van Jeruzalem, ver weg van het centrum van "het ware geloof" – maar zij worden eersten [Js 66,21! cf. Mt 21,28-31. Lk 7,9 cf. Joh 4,21-23].

Het doet mij denken aan het verkeer in Jakarta, zoals ik dat afgelopen week ervaren heb. Het is een grote chaos, waarin elke deelnemer vecht voor zijn plekje. Letterlijk elke centimeter wordt benut, om de ander geen ruimte te geven, voor te dringen en verkeerslichten en -regels te negeren. Er gebeuren dan ook vele ongelukken, fatale ongelukken. Zo'n godsdienstig land, maar in de gewone omgang met elkaar, bijv. op de weg, is daar niets van te merken.

Zo'n belevenis werkt als een spiegel; ze laat je in het licht van het Evangelie weer eens kritisch kijken naar jezelf als gelovige. Je hoeft je niet – passief – de pas te laten afsnijden. Maar Jezus' oproep "Doe wat u kunt om door de nauwe deur binnen te komen" [Lk 13,24] betekent ook niet: ellebogenwerk en "het doel heiligt de middelen, als ik er maar in kom." Inderdaad, wie – actief – een ander helpt en voor laat gaan, zou best eens de laatste kunnen worden. Echter, zulke laatsten zullen eersten zijn, terwijl wie zichzelf de eerste heeft gemaakt, de aller, allerlaatste wordt [Lk 13,30. 14,7-11], dikwijls tijdens het aardse leven nog.

In het vieren van Eucharistie gedenken wij de Eerste Die Zichzelf tot de Laatste maakte omwille van ons [Fil 2,6-9 cf. Js 41,4. 44,6. Ap 22,13]. Moge het aanzitten aan Zijn maaltijd [cf. Lk 13,29] hier ons inspireren om in verbondenheid met Hem te leven zoals Hij [Fil 2,5] – tot het welzijn en het heil van onszelf en alle huisgenoten van God. Amen.