Ik ga alle volkeren en talen bijeenroepen (Jes. 66,18)

Oude woorden, deze uit het boek Jesaja meer dan 2500 jaar geleden, harde woorden van Jezus bij het begin van de eerste eeuw, verwerkt door Lucas in het laatste kwart van die zelfde eeuw en even harde woorden in de brief aan de Hebreeën, aan christenen uit de tweede en derde generatie. Woorden van vroeger, voor toen en nu, vandaag herhaald en geproclameerd om ze nu te beleven, alleen, in groep en in gemeenschap met velen, mensen van hier en uit andere landen.

We horen over Jeruzalem, de stad van de messiaanse droom, Jeruzalem waar David regeerde en waarvan de muren instortten en steeds werden herbouwd. Ze is de stad waar Abraham het offer zou gebracht hebben op de berg Moira. Ze is de stad, naar waar Jezus optrok en waar hij zou worden veroordeeld. Ze is de stad waar hij zich voor zijn leerlingen manifesteerde als de verrezen. Ze is de stad van het cenakel op Pinksteren. Vanuit Jeruzalem zijn Petrus en Paulus, de apostelen en andere christenen vertrokken om te getuigen over de kracht van de Jezus, de gekruisigde en de verrezen.

Ze is de stad met de tempel, verwoest door de Romeinen in het jaar 70. Ze werd een stad van tweede rang. Christenen pelgrimeerden daarheen en zijn er met de wapens naar toe getrokken toen de Islam er heerste. Bij het verval van het Ottomaanse rijk kreeg ze meer invloed. Volgend jaar in Jeruzalem! De joden keerden terug. In 1948 werd Israël als staat erkend. Het lot van Jeruzalem weegt op de wereldpolitiek. Jeruzalem, stad van vrede, maar twistappel in de verdeeldheid.

Volgens het visioen van Jesaja zullen alle volkeren er samenkomen als het kwaad is overwonnen en de laatste definitieve tijd is aangebroken (Jes. 2,1-4: Jes. 60-61; Mich. 4,1-3). De eindredacteur van het boek Jesaja grijpt terug naar dit visioen en besluit er mee het boek. De allerlaatste verzen zijn in de liturgie niet overgenomen, want daar steken de wraak en dood weer even de kop op.

Januari 1964, vijftig jaar geleden, pelgrimeerde paus Paulus VI naar het land waar Jezus heeft geleefd. Hij bezocht er Jeruzalem langs beide kanten van de muur. Hij was de eerste paus, die er terugkeerde sinds Petrus de stad had verlaten voor Antiochië en later voor Rome. Op de Olijfberg ontmoette hij patriarch Athenagorias. Een sterk moment van oecumene en broederlijkheid. De paus ontmoette er joden en moslims, zoals na hem zijn opvolgers Johannes Paulus II en paus Benedictus.

De muren die Jeruzalem verdeelden, zijn na de zevendaagse oorlog afgebroken. Ondertussen zijn daar dichtbij nieuwe opgericht en houden ze Joden en Palestijnen gescheiden..

Geraken we in het hemelse Jeruzalem, dit is de vraag van de man, die bij Jezus komt op diens weg naar Jeruzalem. Jezus antwoordt met te wijzen op de harde eisen van de navolging. Hij gebruikt het beeld van de smalle deur. Hij stelt de dag in het vooruitzicht dat deze voor goed gesloten is en dat wie te laat komt zal buiten blijven staan (Lc. 13,24). Het volstaat niet te zeggen dat we Jezus hebben gezien, iets over hem hebben gehoord. Hij vraagt of we in hem hebben geloofd en hem zijn gevolgd op zijn weg. “Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan. Daarop zeiden zijn toehoorders:’Wie kan er dan nog gered worden?’” (Lc. 18,25-27).

Jezus heeft het visioen van Jesaja voor ogen. Er zullen mensen gered zijn in alle windstreken. En overal zullen er eersten en laatsten zijn. Er waren tijdgenoten van Jezus die hem hebben afgewezen en naderhand met lege ogen moesten aanzien dat heidenen een plaats en een rol kregen in zijn gemeenschap.

Van oost en west, van noord en zuid. Het is de mondialisering waarbij wij allen betrokken zijn, waarbij wij in de westen aan het leren zijn dat wij niet de enige maatstaf zijn. Hoeveel verschillende culturen en volkeren zijn er bv. al niet aanwezig onder de treinreizigers van Luik tot Oostende?

Van oost en west, van noord en zuid, ze hebben een plaats in de kerk. Ze tonen hun verscheidenheid en verbondenheid bij Wereldjongerendagen, op bisschoppensynodes. We zijn dichtbij met moderne commicatiemedia.

Jonge mannen en vrouwen zijn vanuit de kerk van ons land naar ander culturen getrokken. De nonkel paters en tante nonnekens zijn oud geworden. Het land van de zending is zelf missiegebied geworden. We kunnen ontvangen van wat wij een tijd lang de jonge kerken hebben genoemd en die nu meer en meer evenwaardig hun rol opnemen in de missionering en er zelf in overtreffen.

Op de bijeenkomst van Oost-Vlaamse missionarissen in 2012 las de directeur van Missio Roger Vereecken een brief voor van de tachtigjarige Vlaamse Scheutist André Broeckaert. Deze schreef vanuit Japan over de vitaliteit van de kerk in Vietnam. Een kerk die het lijden heeft gekend en nog dagelijks ervaart (Hebr. 12,7). Zij is bereid missionarissen te zenden naar Japan, zoals Indische zusters werken in Kameroen en Haïti en elders.

Op de missionarissendag in het bisdom Gent vertelde bisschop Van Looy over wat hij van de kerk van Korea mocht ontvangen, waar hij twintig jaar als missionaris werkte. In zijn homilie ging hij die dag even in op de vraag van de man op de weg naar Jeruzalem naar het aantal geredden. Veel of weinig, het ontslaat ons niet van de opdracht zelf mee op weg te gaan met Jezus. Elke mens heeft immers het recht Jezus te kennen. Hij liet zich leiden door wat paus Paulus VI schreef na de bisschoppensynode over de evangelisatie:

Zoals Christus tijdens zijn prediking, en zoals de Twaalf op Pinkstermorgen, zo ziet ook de Kerk een onmetelijke mensenmenigte vóór zich die het Evangelie nodig heeft en er recht op heeft, want God "wil dat alle mensen gered worden en tot kennis van de waarheid komen." (1 Tim. 2, 4).

Bewust van haar plicht om het heil te prediken aan allen, in de wetenschap dat de evangelische boodschap niet voorbehouden is aan een kleine groep van ingewijden, van bevoorrechten of van uitverkorenen, maar bestemd is voor allen, maakt de Kerk zich de bekommernis eigen van Christus om de verstrooide menigten, die uitgeput zijn "als schapen zonder herder", en herhaalt dikwijls zijn woord: "Ik heb medelijden met al deze mensen" (Mt. 9, 36; Mt. 15, 32). Maar zij is er zich ook van bewust dat, wil de prediking van het Evangelie effect hebben, zij haar boodschap moet richten aan geloofsgemeenschappen die in het hart van de massa staan en wier uitstraling de anderen kan en moet bereiken(Evangelii nuntiandi, 1975,n° 57).

 Jezus trekt nog altijd rond doorheen steden en dorpen om er te onderrichten. Moge de homilie op zondag een kleine bijdrage zijn in trouw aan zijn opdracht.