Heer, zijn het er weinig die gered worden? (2010)

Wat deed Jezus zoal?  Lucas geeft alweer een summarium.  "Jezus trok op door steden en dorpen en gaf onderricht."  Zijn hoofdtaak was de verkondiging.  Hij was overtuigd dat hij op die wijze mensen hielp en gelukkig maakte.  Onderricht geven is inderdaad belangrijk.  Ook onderricht geven over de komst van Gods koninkrijk.  Dat deze visie niet door elkeen gedeeld wordt, merk je bij het uitreiken van fiscale attesten.  Pastorale projecten komen niet in aanmerking!

 Nu dat was voor Jezus geen zorg.  Wij weten eveneens weinig over zijn leerdoelen en zijn projecten en de uitwerking ervan.  Wij zijn onwetend over zijn masterplan.  Toevalligheid speelt bij hem een grote rol.  Zoals die man die hem vraagt naar wie er gered wordt.  Vermoedelijk was dit voor die man geen theoretische vraag.  Hij wou weten waar vind ik heil en waar ontmoet ik een genadige God.  Hij stelt een vraag, waar Jezus niet rechtstreeks op antwoordt.  Dit kan Jezus wellicht niet.  Immers, hoevelen zullen er gered worden?  Zijn er weinig?  Wellicht was een tweede vraag van hem.  En zal ik er zelf bij zijn?  De man lijkt te behoren tot de jansenistische richting.  Vanuit een heel strenge denkwijze over God dachten deze dat er maar weinige zouden gered zijn.

 Ik denk niet dat Jezus kon zeggen hoeveel mensen er in Palestina leefden en hoeveel in het Romeinse rijk en hoeveel daarbuiten.  Hij kon toch ook niet voorzien hoe de mensheid zou groeien en hoevelen er in 2010 op deze aardbol zouden wonen.

 Jezus kon niet antwoorden met 'geen' of 'niemand' want dan zou hij verloochenen wat hij eerder had gezegd.  In zijn vlaktereden had hij bepaalde groepen van mensen zalig geprezen.  Naderhand heeft hij elkeen gelukkig geprezen die het woord Gods woord hoort en het onderhoudt (Lc. 11,28).  Hij kon niet met een radicaal 'neen' antwoorden, want dan zou hij vergeten dat hij toch herhaaldelijk God barmhartig had genoemd, op zoek naar het verlorene. 

 Hij kon ook niet antwoorden: "ze komen er allemaal."  Hij had immers al laten verstaan dat er mensen zijn die Gods uitnodiging afwijzen en zichzelf buiten spel plaatsen. 

Jezus antwoordt door zijn toehoorder en door elke man en vrouw voor hun eigen verantwoordelijkheid te plaatsen .  De toekomst is hoop, maar gebeurt niet zonder onze inzet. 

Het antwoord van Jezus moet gezien in de spanning met de Joden.  Zij waren de eerste om Jezus te horen.  In hun dorpen en steden heeft hij onderricht gegeven.  Het heil dat hij aanbiedt is niet alleen voor hun generatie, tijdelijk en ruimtelijk omschreven.  Zijn heil gaat naar vorige geslachten en reikt over de grenzen.  In de Handelingen der apostelen gebeurt het dat mensen uit het Noorden, het Zuiden, het Oosten en het Westen delen in de boodschap van Jezus.

 Hoe geraken we binnen?  In de psalmen stelden de vromen al deze vraag naar wie binnen mag: "Heer, wie mag gast zijn in uw tent?  Wie mag wonen op uw heilige berg?" (ps. 15).  Sint Benedictus nam die vraag op in zijn Regel om zijn broeders te helpen het heiligdom binnen te treden.  Hij luisterde hiervoor naar het antwoord dat hij vond in de Schrift:

 "Wie onkreukbaar is en rechtvaardig, wie de waarheid spreekt in zijn hart en geen listige tong heeft,

wie zijn evenmens geen kwaad aandoet en niet toelaat dat er geroddeld wordt over de naaste (ps. 15,2-3);

Hij die de boze geest wanneer deze hem slechte dingen ingeeft, met verlokking en al, wegjaagt uit de gezichtskring van zijn hart en hem vernietigt en wat ervan in zijn gedachten overblijft vastgrijpt en tegen Christus verplettert (ps. 117,9).

Het zijn diegenen die ontzag hebben voor de Heer, die niet het hoofd in de nek gooien om hun voorbeeldig gedrag, maar in hun hart de overtuiging meedragen, dat ze uit zichzelf niet tot het goede in staat zijn en dat de Heer dit in hen bewerkt (ps. 15,4).

Zij geven alle eer aan God en zeggen met de psalmist: "niet aan ons, Heer, niet aan ons maar geeft Glorie aan Uw naam" (ps. 115,1).

 De Apostel Paulus eigende zich niets toe van zijn preektalent, toen hij zei:. "Door Gods genade ben ik wat ik ben" (1 Kor. 15,10) en wanneer hij verder zei: "Wil iemand de  loftrompet steken?  Heel goed, maar dan op de Heer" (2 Kor. 10,17) (M. Coune, De regel van St. Benedictus in de taal van onze tijd).

 In zijn boek Levenswijsheid van een monnik schrijft de Engelse abt Christopher Jamison van Worth Abbey over de smalle deur, die wij elke dag moeten openen om het heiligdom binnen te treden.  Het vertrekpunt ligt hiervoor in de kwaliteit van onze gedrag en houding, dag aan dag, tegenover onze omgeving.  Je kan het ene moment niet je naaste kwaad aandoen en het moment daarop het heiligdom vinden.  Het vinden van de heilige plaats begint bij de erkenning van het heilige in het leven van elke dag.  « Le point de départ pour entrer dans le sanctuaire sacré est la qualité de nos comportements, au jour le jour, avec notre entourage.  On ne peut maltraiter les autres à un moment et trouver le sanctuaire dans le moment qui suit.  Trouver le lieu sacré commence avec la reconnaissance du sacré dans notre vie de tous les jours » (Découvrir son monastère intérieur p. 37).