21e zondag door het jaar

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Pas op als ge Jezus een vraag stelt, vooral als Hij op doortocht is naar Jeruzalem. Het kan gebeuren dat zijn antwoord bijblijft, dat het u meer loslaat, dat het zich in u vast ankert, dat Jeruzalem u zelf gaat aantrekken, dat ge de smalle weg opgaat, dat ge Jezus achterna gaat lopen, dat ge Hem gaat zoeken totdat ge Hem vindt en dat ge dichter bij zijn drama betrokken geraakt dan ge voorzien had toen ge Hem uw vraag stelde.

"Iemand vroeg Hem: ‘Heer, zijn het er weinig die gered worden'? Maar Hij sprak tot hen: ‘Span u tot het uiterste in om door de nauwe deur binnen te komen' ". Dat is een half antwoord. De man weet alleen dat de deur nauw is en dat hij alles op alles moet zetten, anders kan hij zelfs de nauwe deur op zijn neus krijgen, want er komt een ogenblik dat "de huisvader" de deur sluit. Niemand komt dan nog binnen. De vraagsteller weet wél dat het er velen zijn die buiten blijven: "Want zeg Ik u, velen zullen proberen binnen te komen maar zij zullen daar niet in slagen". Hij weet hiermee nog niet of er ook velen zullen binnen geraken. Hij hoeft het ook niet meer te weten. Hij wenst het ook niet meer te weten. Hij denkt niet meer aan zijn eerste vraag. Een nieuwe vraag heeft zich aan hem opgedrongen: hoe vind ik Jezus de Nazoreeër terug, die op zijn tocht naar Jeruzalem door niemand kon worden opgehouden.

Het gebeurt niet zelden dat Jezus maar half antwoordt, of beter, dat Hij een dubbel antwoord geeft. Telkens als de evangelist zegt: "Maar Hij sprak tot hem of haar of hen", zegt Jezus eerst dat hij of zij verder moeten vragen en dan zet Hij de vraagsteller op weg, geeft Hij hem of haar of hen water en brood, iets om te eten en te drinken, om de reis aan te vangen naar Jeruzalem, waar Hij ten langen laatste niets meer antwoordt. Voor Pilatus zal Hij zwijgen: "Maar Jezus gaf volstrekt geen antwoord meer". Het is het zwijgen van wie alles gezegd heeft. Er komt een ogenblik van nemen of laten. van ja of neen, van voor of tegen, van beslissing, van antwoord van wie zelf de vragen stelde, van wie het antwoord zelf kan geven, een ogenblik waar verdere vragen zinloos zijn, cynisch, sarcastisch, huichelachtig of snobistisch, een ogenblik waar geen verdere theologische discussie, maar alleen een woord van het geloof past, van het eigen geloof van de vraagsteller. Dat ogenblik is het ogenblik van de vraag: "Zijt Gij de Zoon van God"? of: "Waar komt Gij vandaan"?

Wie op dat ogenblik voor zichzelf antwoordt: "Van deze weten wij niet waar Hij vandaan is", zal op het oordeel hetzelfde horen: "Ik weet niet waar gij vandaan komt". Anderen zullen "door de nauwe deur binnen" gegaan zijn en wie dan "buiten op de deur begint te kloppen" zal horen vanwaar die anderen gekomen zijn: "uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden", wat wil zeggen: van overal, uit alle windstreken.

De weg naar Jeruzalem ligt open voor iedereen. Iedereen is door de bedevaarder Jezus geïntrigeerd, iedereen wil Hem een vraag stellen, haar vraag, zijn levensvraag. Iedereen moet zich van iets of iemand losrukken, ontdekt bij het antwoord van Jezus onderweg, dat hij zich van zichzelf moet losrukken, dat de enige manier om de horizon te verwijderen erin bestaat zich effectief op weg te begeven. De laatste vraag: "Zijt Gij de Zoon van God"?, wordt in Jeruzalem gehoord. Wie de bedevaart niet aanvangt, met een lied op de lippen, komt nooit in het cenakel, waakt nooit in de hof van Olijven, kiest nooit partij in het proces van Jezus, sterft nooit met Hem om met Hem te verrijzen. Het laatste antwoord wordt in Jeruzalem gegeven. Eén vraag aan Jezus onderweg gesteld, doet de volgende vragen en antwoorden branden, totdat iedere bedevaarder Jezus beaamt of verwerpt, totdat iedere bedevaarder zelf het antwoord geeft.

"Ook uit de volkeren zal Ik mijn priesters kiezen en levieten, dat zegt Jahwe". Wat de ouden reeds konden weten, weten wij nu in Jezus nog beter: priester en priesteres zijn zij die, vrij, Jezus volgen tot in Jeruzalem.