Buiten de kerk geen heil

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

In het evangelie van vandaag horen wij hoe Jezus de zelfgenoegzaamheid doorprikt van sommige vertegenwoordigers van het Joodse volk. Zij meenden dat het voldoende was tot het joodse volk te behoren, om gered te worden: ‘Wij zijn kinderen van Abraham, wij zijn leerlingen van Mozes'. Alle andere mensen waren uitgesloten, zo meenden ze, van het koninkrijk Gods. Tegen deze mentaliteit reageert Jezus vandaag door te zeggen: ‘Velen zullen komen uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden en aanzitten in het Koninkrijk Gods'.

Maar deze vermaning geldt evengoed voor ons, voor diegenen onder ons, christenen, die denken dat zij gered zullen worden door het feit alleen dat zij tot de Katholieke Kerk behoren. Toen de kerkvader Cyprianus tegen zijn gelovigen zei: ‘Buiten de Kerk is er geen heil', kon hij niet vermoeden welke rampzalige gevolgen deze uitspraak zou hebben. Het gaat niet op dat wij zeker kunnen zijn van ons heil, als we maar tot de Katholieke Kerk behoren; ook tot ons kan Jezus zeggen: ‘Ik ken u niet'. Augustinus zegt heel juist: ‘Er zijn er veel binnen de Kerk, die erbuiten staan, en er zijn er veel buiten, die erbinnen zijn.' Het Rijk Gods is veel ruimer dan de Kerk. De Kerk is geen doel, maar een instrument om het Rijk Gods te vestigen.

Gods Geest werkt in alle mensen. Cyprianus wilde zeggen: overal waar mensen het Woord Gods volbrengen of de stem van hun geweten volgen, waar mensen zich op hun manier inzetten voor het goede, onder de werking van de Geest, daar is de Kerk, daar behoren de mensen tot de Kerk.

In die zin spreekt Karl Rahner van ‘anonieme' christenen. Veel mensen verschuilen zich in zekere mate achter de Kerk. Zij houden praktisch in hun leven geen rekening meer met de Kerk en toch willen zij er nog hij horen. Zij laten hun kinderen dopen, trouwen nog in de kerk en willen kerkelijk begraven worden. Maar met zo'n mentaliteit kom je niet door de smalle deur, zoals Christus zegt.

Het evangelie dat we gelezen hebben, werd opgetekend toen er nog mensen leefden die Christus persoonlijk gekend hadden. Dat horen we in de woorden die de evangelist aanhaalt: ‘In uw tegenwoordigheid hebben wij gegeten en gedronken, in onze straten hebt ge onderricht gegeven'. Maar dat zal je helemaal niet helpen. Helpen kan alleen geloven en leven volgens het geloof. Zo zal het ook met ons zijn. Wij kunnen zeggen: wij hebben toch elke zondag de eucharistie gevierd, wij gingen elk jaar op bedevaart, wij hebben onze kinderen toch laten dopen.

Maar Jezus heeft een heel andere maatstaf, het gaat er Jezus helemaal niet om of je lid bent van een Kerk, of je bepaalde vieringen meemaakt; bij Hem gaat het om het doen van de gerechtigheid: Ik was naakt, Ik was ziek, Ik was hongerig. Wat hebt gij gedaan? En dan kan het heel best zijn, zegt Jezus, dat de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zullen zijn. Het kan best zijn dat er dan een barmhartige Samaritaan is, die nog nooit van Christus gehoord heeft, die nog nooit een voet in de kerk gezet heeft, maar die hart had voor zijn medemens en die wel door die enge poort naar binnen mag, terwijl christenen, die de medemens langs de weg lieten liggen, omdat ze zo'n haast hadden om in de kerk te komen, buitengesloten blijven. Mensen waarvan wij het misschien het minst hadden verwacht, kunnen misschien veel meer dan wij bijgedragen hebben aan de opbouw van Gods Rijk onder de mensen.

Zo wordt dit evangelie toch een blijde boodschap. De deur van het Rijk Gods is misschien toch niet zo eng. Niemand is bij voorbaat uitgesloten, maar ook niemand is automatisch verzekerd van zijn redding. De maatstaven voor het Rijk Gods kunnen heel anders zijn dan wij, brave mensen, denken. De Kerk is zeker de veiligste weg, waarlangs Jezus in woord en sacrament tot ons komt, maar het is niet de enige weg. Belangrijk is dat wij binnengaan langs de enge poort, maar de poort staat open voor iedereen; pas maar op dat je niemand uitsluit.