Alleen Gods wil telt mee!

Mijn vader hoorde mij en kwam bij me. Glimlachend legde hij zijn hand op mijn schouder en keek me vragend aan. “Ik zoek God”, zegde ik.

"God is niet verloren, er is dus helemaal geen reden om Hem te zoeken.” 

“Was Hij dan verloren toen Abraham Hem zocht?”

“Neen, God is er altijd. Voor Hem is er niets en achter Hem is er ook niets. Hij is buiten de ruimte en de tijd. Abraham heeft Hem gevonden omdat gezond verstand altijd naar God leidt.”

“Maar Abraham heeft het geloof van zijn volk afgewezen, waarom kan ik dat dan niet?”

Mijn vader glimlachte en zei: “Omdat Abrahams volk het verkeerde geloof aanhing. Maar ons geloof is het juiste.”

Beste vrienden,

Deze woorden komen uit het boek: “Mijn afscheid van de Hemel” van een Duitse schrijver met Egyptische Roots: Hamed Abdel Samad.

De tekst gaat over een kleine jongen die in gesprek gaat met zijn vader. De jongen probeert het verhaal rond Abraham te begrijpen. Hij heeft al begrepen dat Abraham vragen had bij het geloof van zijn medemensen en dat zijn zoeken naar waarheid hem uiteindelijk tot God brengt.

Zijn vader, een gelovige moslim, moedigt zijn zoon in die zoektocht aan. Ja, de jongen heeft het verhaal goed begrepen. Maar blijkbaar heeft hij veel te veel begrepen. Want hij denkt verder. Wanneer Abraham het geloof van zijn tijd kritisch moest onderzoeken om echt tot bij God te kunnen doordringen, wanneer Abraham eerst de in jaren aangezette korsten op het geloof van zijn tijd moest verwijderen en naast zich neerleggen, waarom zou hij dan niet hetzelfde mogen doen?

De vader antwoordt: “Omdat Abrahams volk het verkeerde geloof aanhing. Maar ons geloof is het juiste.” En zijn antwoord is hetzelfde als dat van alle mensen die ergens diep van overtuigd zijn.  

We vinden het wel belangrijk om de dingen altijd kritisch te bekijken. We vinden kritiek zelfs noodzakelijk, maar niet wanneer het over onszelf gaat!

Dat heeft me aan het denken gezet. Want dat fenomeen ontdek ik niet alleen bij die moslim-vader. Het is een zeer wijd verspreid fenomeen. We vinden het trouwens ook al in onze heilige schrift!  

Daar zijn het de profeten die ons duidelijk maken wat God eigenlijk wil, en die aantonen dat het Noordrijk Israël, omwille van zijn onmenselijkheid en zijn valse vroomheid moet ten ondergaan. En de mensen uit het Zuidrijk knikken volmondig en zeer volgzaam met hun hoofd en merken helemaal niet dat voor hen hetzelfde geldt. Zij zagen gewoon niet dat die kritiek ook aan hen gericht was. 

In de teksten van het nieuwe testament zien we dat Jezus door de mensen uit Zijn eigen stad niet erkend werd en dat ze zijn boodschap niet begrepen. En ook wij knikken met ons hoofd, we lezen de massieve kritiek op het Joodse volk in de tijd van Jezus van Nazareth, en wij merken helemaal niet dat die kritiek ook op onszelf van toepassing zou kunnen zijn.

En zelfs op die plaatsen waar de Heilige Schrift het direct naar ons toe formuleert, zelfs daar lezen wij de teksten: “Woord van de levende God” en stellen niets, maar dan ook helemaal niets in vraag over al die dingen, die ons worden voorgehouden en die ons intussen zo nauw aan het hart gegroeid zijn en die we klakkeloos als juist aanvaarden. 

De lezing van vandaag is daar een goed voorbeeld van. Het is een tekst die we in de adventsstemming van dit ogenblik horen, en die we zonder hem echt te begrijpen, met Ja en amen bekrachtigen. Het is een tekst die doorgaans ongemerkt aan ons voorbijgaat zonder ook maar iets in ons teweeg te brengen.   

Daarbij is het een tekst met een grote explosieve kracht, maar die wordt bijna nooit geaccentueerd. In die tekst wordt harde kritiek uitgeoefend op onze geloofspraktijk en op het bij velen, zelfs tot de hoogste kerkelijke ambten toe, gangbare zicht op godsdienst. Wij moeten die kritiek toch kunnen beantwoorden.

De Heilige Schrift vertelt ons hier duidelijk wat God werkelijk wil en verwijt ons ook dat wij die duidelijke wil van God zeer dikwijls volledig links laten liggen. De overtuiging dat kritiek alleen voor de anderen geldt omdat wat wij geloven allemaal juist zou zijn, die overtuiging gaat dus helemaal niet op.  

De brief aan de Hebreeën werd geschreven door iemand die, net zoals de profeten dat altijd weer hadden gedaan, de offerpraktijk van zijn tijd aanklaagt en beweert dat offers geen enkel resultaat hebben. Het is niet Gods wil dat mensen offers zouden brengen. Gods wil is het dat mensen menselijk zouden leven, want de ware dienst aan God is de dienst aan de mensen.

In de brief aan de Hebreeën wordt duidelijk dat die boodschap door Jezus zelf aan ons werd gebracht. Hij heeft zich niet alleen met zijn sterven, maar met zijn hele leven, voor ons mensen geofferd. Hij heeft zichzelf voor ons geofferd. Hoger dan dit ultieme offer kan geen ander offer meer bestaan! Dat geloven wij en dat vinden we ook terug in alle catechismussen. En toch wordt er zowel in onze theologie, als in onze geloofspraktijk, in ons volksgeloof en in onze liturgische boeken nog altijd lustig op los geofferd.

In de voorbereiding van de zondagsvieringen wordt nog steeds gesproken over “Offerande”, ofschoon die plaats in de Eucharistieviering reeds bijna vijftig jaar “Bereiding van de gaven” heet – en dat met goede redenen. Want in de Eucharistieviering wordt geen offer gebracht – na het offer van Jezus Christus kan er geen nieuw offer meer zijn. De Eucharistieviering is ook geen misoffer in de zin dat er elke keer opnieuw een offer zou gebracht worden, of dat het zelfs nodig zou zijn om God telkens weer te verzoenen door een offer te brengen. Dat te geloven zou een grote vergissing zijn.

Daarom wordt er, sinds het tweede Vaticaanse concilie, niet meer gesproken over een misoffer. Wij spreken over een Eucharistieviering of gewoon over de Heilige mis.

In de heilige Mis kan echter alleen maar worden gevierd wat Jezus Christus eens en voor altijd voor ons heeft gedaan. Zijn ultieme offer wordt in die viering terug tegenwoordig, maar het is geen nieuw offer. Geen offer dat wij opdragen, en zeker geen offer dat God van ons zou vragen.

“Door het offer van Jezus Christus zijn wij voor eens en voor altijd geheiligd.” Zo wordt het ons in de brief aan de Hebreeën definitief en onmiskenbaar duidelijk gemaakt. 

Dit voorbeeld toont aan dat ook wij onze geloofspraktijk, onze vroomheid en onze vieringen altijd weer met een kritisch oog onder de loep moeten nemen. 

Kritiek is dus helemaal niet alleen voor de anderen, omdat die verkeerd zouden geloven, en wij het juist voor hebben. Vele zaken die bij ons gangbaar zijn, die altijd reeds zo werden voorgehouden of gedaan werden, zijn misschien wel gebruiken die ons aan het hart liggen, maar ze zijn niet dat wat God wil, ze zijn niet Gods wil!

Maar het is wel alleen Gods wil die meetelt!

Amen