God binnenlaten (2009)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

Van een Joodse rabbi wordt verteld dat er een stel geleerde, wijze mannen bij hem waren. Hij vroeg hun: 'Waar woont God?' Ze begonnen te lachen en haalden hun schouders op: 'Hoe kun je zoiets vragen? Heel de wereld is toch vol van zijn heerlijkheid!' Maar de rabbi bleef zijn vraag stellen. Tenslotte gaf hij zelf als antwoord: 'God woont waar je Hem binnenlaat.'
De advent, die vandaag is begonnen, zou je een tijd kunnen noemen om God binnen te laten. God komt naar ons toe. Hij klopt als het ware aan onze deur om binnen te mogen komen. Want in de advent bereiden wij ons voor op een zo intens mogelijk vieren en beleven van Gods wonen in ons midden. Daarin beleven wij iets van onze toekomstverwachting.

Vandaag geeft ook de evangelist Lucas uiting aan een toekomstverwachting, en wel aan de toekomstverwachting van zijn geloofsgemeenschap: 'Er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren, en op aarde zullen volken in angst verkeren'. Deze woorden drukken een heel sterke spanning uit. Mensen die zo spreken, ervaren de tijd niet als bewegingloos. Zij voelen zich, met heel de wereld, op weg naar een toekomst waarboven zich donkere wolken opstapelen. En dat besef laat hen niet los. Het bepaalt hoe zij het heden ervaren. Voor hen is de dag van vandaag helemaal gegrepen in dit dreigende toekomstvisioen. In zo'n evangelietekst spreken mensen zich uit over het 'nu'. Zij verkeren in angst. Zij zijn radeloos. Zij besterven het van schrik in spanning over wat de wereld gaat overkomen.

Nu kunnen wij heus wel actuele parallellen zoeken en vinden voor de angstaanjagende beelden uit het evangelie van deze eerste adventszondag. We kunnen dan denken aan de internationale Politiek, aan enorm grote gebieden waar oorlog en onrust aan de orde van de dag zijn, maar ook aan allerlei inbreuken op mensenrechten, aan werkloosheid, generatieconflicten, culturele ontreddering. Het leven van talloze mensen is gebrandmerkt door angst. In menig opzicht is menige samenleving haar kaders kwijt; en andere kaders worden haar brutaal opgedrongen door een economie die doorraast als een blinde op hol geslagen trein. Maar.., is die angst zomaar parallel te plaatsen met de ontreddering van de christenen die in het Lucasevangelie aan het woord zijn?
In elk geval mogen wij niet zomaar vanuit dit evangelie de onrust en de crisis heilig verklaren, als duidelijke tekenen van de Mensenzoon. Op zichzelf zijn tekenen van crisis geen heilstekenen. Tekenen van crisis duiden echter wel op een dieper gebeuren. Een vraag is, welke crisissen kunnen worden geduid als gevolgen van de komst'van.de Mensenzoon. Daar is waakzaamheid voor nodig.

Ons wordt vandaag gevraagd om, midden in de onrust van onze tijd, met elkaar solidair te zijn in waakzaamheid. Het komt erop aan, een juist oordeel te krijgen over de crisissen die zich in het leven van anderen en van onszelf voordoen. Sommige crisissen - zelfs angstaanjagende - zullen wij kunnen duiden als doorbraak van evangelische waarden en van algemeen menselijke bevrijding, als tekenen van heil. Grote dingen komen dikwijls niet 'zacht' tot stand, maar in schrikaanjagende omstandigheden. Ik denk bijvoorbeeld hieraan: een kerkgemeenschap behoort een milieu te zijn waarin mensen elkaar vrij en aandachtig maken voor het grote dat in onze tijd gebeurt. Daarom moet zo'n kerk, moeten wij ruimte scheppen voor gesprek en overleg, om de tekenen van de tijd te kunnen verstaan, om de horizon van onze geschiedenis af te tasten naar tekenen van het komen van onze Heer in onze tijd. Dankzij die open ruimte voor onderlinge ontmoeting kunnen mensen ontdekken., dat hun ervaringen ook gedeeld worden door anderen, waardoor mensen met elkaar kunnen communiceren en samenwerken. En dat is pas echte solidariteit, tussen mensen die elkaars eigenheid eerbiedigen en waarderen.

Zonder die waakzaamheid komen wij vlug tot polarisering. Bij gebrek aan uitzicht ga je je eigen aanvoelen van de tijd verabsoluteren en een toevlucht zoeken bij gelijkgezinden alleen. Ofwel je raakt volledig in de ban van je eigen angst voor de crisis en je wordt allesbehalve vrij voorde komst van onze Heer die zich misschien in deze crisis meldt. Ofwel je maakt jezelf tot knecht van de crisis, waarvan je een doel-op-zich maakt, jazelfs een soort ideaal; en dan ben je evenmin vrij voor de diepe betekenis van de gebeurtenissen die je meemaakt. Ons wordt gevraagd om, zoals het evangelie zegt, 'staande te blijven voor het aangezicht van de Mensenzoon'. Dat kan alleen in een hoding van waakzaamheid. En alleen in een zelfde sfeer van waakzaamheid kunnen wij ook de vrijheid en de onthechting verkrijgen die nodig zijn om de komst van onze Heer mee te maken, mee te verwezenlijken, ook al moeten wij dan door een crisis heen. Zo versta ik die oproep: 'Wanneer dit alles zich begint te voltrekken, richt u dan op en heft uw hoofd omhoog, want uw verlossing is dichtbij'. In dit licht ook luister ik naar
de profeet Jeremia: er komt redding door de zoon van David; en naar de apostel Paulus: onze Heer sterke uw hart voor de komst van de Heer.

Het is van belang dat wij met de tijd leren leven. Ook onze tijd is niet het einde van een lange voortijd, maar het begin van een toekomst. En mens-zijn betekent verwachten. Dit verwachten dient gevuld te zijn met God. Het hunkeren naar een nieuwe tijd is niet uit ons hart weg te branden, en wel vooral omdat God in ons woont en telkens opnieuw wil worden binnengelaten. Advent bestaat niet allen uit vier korte weken voor- Kerstmis, en evenmin uit 40 lange jaren voor het jaar 2050. Advent is een houding van waakzame en verwachtende gelovigen, een manier van kijken en horen en denken en voelen, in jezelf, in je naaste omgeving en verder weg. Het is leven in verwachting, met een scherp oog voor wat die verwachting bedreigt, voor wat God buitensluit en zijn nieuwe wereld tegenhoudt. Het is zien hoe ver de nacht is, uitkijken naar de dageraad die kómt! Ik hoop dat ons leven steeds meer wordt gekenmerkt door de bede die wij met name in de advent zingen: `Naar U zien wij uit, meer dan wachters in de morgen.., kom ons tegemoet en blijf ons nabij zolang wij bestaan, tot wij U mogen zien van aangezicht tot aangezicht'.