Hoop (2006)

U hebt het waarschijnlijk in de media gezien: de vroegere Amerikaanse vice-president Al Gore heeft een angstaanjagende film gemaakt over het milieu, de veranderingen in het klimaat en in de weersomstandigheden. De film speelt nogal indringend in op de angstgevoelens van mensen, met aangrijpende beelden van overstromingen, tsunamis, orkanen, het smelten van het ijs op de Poolkap, en de paniek-reacties, de angst, die al deze verschijnselen bij mensen veroorzaken.
Is Al Gore een onheilsprofeet? Is het stemmingmakerij? Of bangmakerij? Ja en nee. Iedereen weet dat er veranderingen bezig zijn, dat een een ander zelfs aan ons gedrag te wijten is, maar inspelen op de angstgevoelens van mensen lijkt toch ook niet echt nuttig.

Bij de doopvoorbereidingen die wij hier in het dekenaat Maastricht iedere maand houden, brengen wij de jonge ouders, die hun eerste kindje laten dopen, met elkaar in gesprek aan de hand van enkele vragen. Eén van die vragen is: "in wat voor wereld groeit uw kind op ?". En dan willen we wel eens doorvragen: zijn jullie, als ouders van baby's en jonge kinderen, die heel de 21e eeuw vóór zich hebben, niet bang voor een wereld waarin, – als we tenminste de media en bepaalde politieke partijen mogen geloven –, verruwing van de samenleving, agressie, geweld, terrorisme en onveiligheid de boventoon voeren? En het valt mij dan op, dat we altijd heel rustige reacties krijgen, van vertrouwen in de toekomst, van zekerheid, de overtuiging dat de wereld straks er zal zijn zoals wij haar maken. Er komt uit die gesprekken altijd een rotsvast vertrouwen in de toekomst naar voren. De wereld kan veranderen, maar dan wél ten goede. En de toekomst is helemaal wat wíj ervan maken.

Dat zal straks ook het antwoord zijn op de vraag die Al Gore in zijn angstaanjagende, echt Amerikaanse, horror-film stelt: de wereld van de toekomst zal zijn wat wij ervan maken. Uiteindelijk gaat het om ons mensen.

In de lezingen van vandaag wordt die vraag ook gesteld. Een angstaanjagende beschrijving van het einde der tijden, met vreselijke kosmische en klimatologische rampen ... maar dan uiteindelijk toch een geruststellende ontknoping, de verschijning van een mens, de Mensenzoon. Vandaag verschijnt Hij met majesteit op de wolken van de hemel. Straks zal Hij verschijnen als een baby in Betlehem. Met andere woorden, wat er ook gebeurt, welke rampen de wereld ook zullen treffen, welke ellende er ook zal zijn, uiteindelijk zal er een mens verschijnen, uiteindelijk gaat het om de mens, om ons mensen. Uiteindelijk zal deze wereld niet aan zijn lot worden overgelaten, niet ten onder gaan, want conform Gods belofte zal er een Mens verschijnen, een Mensenzoon, een nieuwe David, die de verwachting waar zal maken.
Ook Jeremia weet het: ook al is Jeruzalem verwoest, geplunderd, platgebrand, er is nog een toekomst, recht en gerechtigheid zullen hersteld worden. Je moet wel een doorgewinterde optimist zijn, zoals Jeremia, om die hoop nog te kunnen hebben ...

Dat optimisme, die verwachting, die zekerheid van een betere wereld, ondanks alles symptomen op die het tegendeel schijnen te wijzen, dat is de verwachting van de Advent. Iets moois verwachten, hoewel aan de buitenkant niets in die richting wijst. Weten dat het licht zal gloren, ook al in het pikkedonker.

Kent u dan mooie gedicht van Charles Péguy? Charles Péguy, die in de Eerste Wereldoorlog ergens op het front sneuvelde: "La petite fille Espérance".

La foi que j'aime le mieux, dit Dieu, c'est l'Espérance.
Het geloof waar ik het meest van houd, zegt God, is de hoop.

Achtereenvolgens laat Charles Péguy God Zelf spreken over Geloof, Liefde en Hoop:

Geloof, dat verwondert me niet.
Ik ben overal zo zichtbaar aanwezig,
in de zon en de maan en de sterren aan de hemel
en in 't gewemel van de vissen in rivieren,
en in alle dieren,
en in het hart van de mens, zegt God,
[...]
In alles wat boven en onder is
ben ik zo luisterrijk aanwezig,
dat geloof, zegt God, in mijn ogen
geen wonder is.

Ook liefde verwondert me niet, zegt God.
Er is onder de mensen zoveel verdriet,
soms niet te troosten,
dat je toch ziet
hoe mensen elkaar helpen.
Je zou een hart van steen moeten hebben ...
[...]
Nee, liefde, zegt God, dat verwondert me niet.

Maar wat me verwondert, zegt God, dat is de hoop.
Dat is verwonderlijk !
Dat die arme kinderen zien hoe alles gaat
en dat ze geloven dat het morgen beter zal gaan,
dat ze zien hoe het vandaag eraan toe gaat
en dat ze geloven dat het morgenvroeg beter zal gaan.
Dát is verwonderlijk !
En het verwondert Mij Zelf.

Ce qui m'étonne, dit Dieu, c'est l'espérance.
Wat Mij verwondert, zegt God, dat is de hoop.