- Een kameel bewijst het: Advent vergt uithoudingsvermogen -

1e zondag van de Advent       Cyclus C         2012                                                          Jer 33, 14-16                                                                                                            
                                                                                                                                               Lk 21, 25-28.34-36
 
     

                                                                       - Een kameel bewijst het: Advent vergt uithoudingsvermogen -

Beste vrienden,

Het is toch elk jaar weer hetzelfde:  reeds maanden voor de advent worden we in onze omgeving reeds met kerstmis geconfronteerd. In winkels en warenhuizen begint de verkoop van kerstversiering soms al half september, en soms krijg ik de indruk dat kerstmarkten hun deuren liefst reeds voor Allerheiligen zouden willen openen. Ook de gewone mensen doen daar aan mee. Vlak na Halloween zien we hier en daar de typische kerstversieringen reeds verschijnen.  En als het dan op 25 december echt kerstmis is,  dan hebben de meeste mensen er hun buik al van vol. Dan komen de kerstliederen je al lang de strot uit en Kribbe, kaarsen en familiaal kerstgevoel zeggen je helemaal niets meer. 
De advent, een tijd van verwachting, een tijd van wachten op het kerstfeest, schijnt al lang dood te zijn.  Mensen kunnen blijkbaar niet meer wachten: alles moet onmiddellijk gebeuren. Opent de kerstmarkt, dan moet ook het kind al in de kribbe liggen. Waarom nog wachten tot 24 december? Wat ik nu al kan krijgen dat neem ik ook nu!   

In de Bijbelteksten van de advent is er veel sprake van de toekomst: „De tijd komt ...”, zegt Jeremia en “ In die dagen wordt Juda gered!”  Beloften voor de toekomst die tot op vandaag nog niet werden ingelost. En in het Evangelie doet Jezus het ook niet beter: “Er zullen tekenen zijn aan de zon..” staat daar – en: „Als dat gaat gebeuren, sta dan op, recht en fier, want uw verlossing is nabij!”  Maar, tot op vandaag is er niets gebeurd, wij wachten nog altijd. Natuurlijk, catastrofes zoals Jezus die in het Evangelie vernoemt, die zijn er zeker geweest. En wie van ons heeft in zijn eigen omgeving, in zijn eigen leven, nog nooit een catastrofe moeten doorstaan?  Gebeurtenissen waarbij we het gevoel kregen: nu stort alles over mij in – dat is het einde – ik kan me niet meer behelpen – ik kan niet meer. Catastrofen, hetzij van persoonlijke, maatschappelijke of van globale aard, zijn er altijd genoeg geweest. Maar die verlossing, dat heil dat ons werd toegezegd, dat laat nog op zich wachten.   
Misschien is dat wel een reden waarom wij het met dat wachten zo moeilijk hebben. Omdat we diep in ons hart misschien niet meer geloven dat ons diepste verlangen in de toekomst ook werkelijkheid zal worden. Daarom willen we alles liever hier en nu beleven en uit het leven halen wat er uit te halen is – vrij naar de leuze: “Wat ik gehad heb kunnen ze me niet meer afnemen!” 
Ook de Bijbel belooft ons iets voor de toekomst: de komst van de Messias: “ In die dagen, in die tijd, schenk Ik aan David een wettelijke afstammeling die het land rechtvaardig en eerlijk bestuurt.“  Het volk van Israël verwacht die verlosser vol verlangen. Want als Hij komt, dan komt er een einde aan alle ellende, en alles zal vervuld worden waar de mensen in het diepste van hun hart naar verlangen: recht en gerechtigheid overal; vrede onder alle volkeren, ook met onze buren en met de schepping –dan komt er een einde aan alles wat in onze ogen leed betekent.  

Maar wij Christenen kunnen vandaag toch echt niet meer doen alsof die Messias nog niet gekomen zou zijn. Hij is er immers reeds zeer lang en binnen enkele weken vieren we zijn komst toch weer uitbundig in het Kerstfeest. Maar zijn onze diepste wensen dan ook al vervuld? Zal onze wereld dan plots een wereld van vrede geworden zijn? Zeker niet!   Integendeel! Het kind in de kribbe werd toch altijd al hulpeloos blootgesteld aan de ellende van deze wereld:  als dakloze geboren in een stal, als kind reeds vervolgd en verjaagd, later door de enen bejubeld en door de anderen afgewezen, door sommigen zelfs grenzeloos gehaat en daarom ook op gruwelijke wijze aan het kruis terechtgesteld. En daar zou dan een vredevolle wereld uit moeten ontstaan? Vergeet het maar!  
En dan belooft Jezus ook nog dat Hij op het einde van de tijden zal terugkomen. Dan pas zal die tijd van gerechtigheid aanbreken en zullen ook al onze verlangens worden vervuld. Dus moeten we weer wachten! Nog langer wachten!  En dat wachten hebben velen intussen al opgegeven. Ze geloven niet meer dat er op het einde nog iets zal veranderen voor onze wereld en voor ons.  En daarom proberen ze om uit die enkele jaren die het menselijke leven op aarde duurt, alles uit te halen wat dat leven zo aangenaam mogelijk maakt.  Ze hebben opgegeven om nog naar iets te verlangen waar ze misschien nog lang op zullen moeten wachten. Op iets wat misschien maar bij onze dood in vervulling gaat. Zo leven wij nu in een wereld die het wachten heeft verleerd. En met dat wachten hebben velen ook hun verlangen begraven. Spijtig toch?
Daarom zou ik, bij het begin van deze adventsperiode, ons allemaal een goede portie moed willen meegeven. Want wanneer wij vandaag die adventsperiode inzetten, dan betekent dat voor ieder van ons een uitnodiging om opnieuw te leren verwachten. En misschien kunnen we als begeleider op onze weg best een kameel gebruiken. Geen ander dier heeft zo veel uithoudingsvermogen en kan gedurende zulke lange tijden zijn weg in de woestijn blijven vervolgen. 

Maar, laten we toch één van de kamelen die de wijzen uit het oosten hebben begeleid, aan het woord laten: „Wij kamelen zijn het gewoon om grote afstanden af te leggen, zelfs volledig bepakt. Maar op een reis als deze hadden ze me toch nog nooit meegenomen. Er is niemand die weet waar we naartoe gaan! Stel u voor: onze reisleider is een ster!!   Ze hebben een ster gezien en nu draven wij kamelen en de hele karavaan achter die ster aan! Zijn ze nu helemaal gek geworden? Waar moet dat naartoe!  Ze zeggen altijd weer dat het niet zomaar een ster is. Dat deze ster aankondigt dat er iets te gebeuren staat dat de wereld zal veranderen. Een kind zal worden geboren en dat zal de hele wereld door elkaar schudden. Allemaal OK, heb ik gezegd, maar dat is toch nog geen reden om alles te laten staan en die ster na te lopen.  Maar de sterrenkundigen zeggen: we hebben daar heel ons leven op gewacht. En nu is zij er. Als ge die ster bekijkt, kunt ge toch gewoon niet anders. Als je nu gewoon verder doet als was er niets gebeurd, zal er nooit iets veranderen. Maar voor diegene die zich op weg begeeft zullen al zijn verlangens worden vervuld!    Ik heb die ster dan ook van nabij bekeken. En ik heb werkelijk de indruk dat datgene waar ik in het leven naar verlang, in die ster aanwezig is. Daarom ben ik blij dat ik mee mag.  Ik weet dat de weg lang is. En er zijn lange etappes door de woestijn, zonder enig teken van leven, etappes van eindeloze troosteloosheid.    Je komt ontgoochelingen van de ergste aard tegen, en soms zie je de ster een lange tijd niet, omdat hij achter de wolken, of door een zandstorm, aan het oog is onttrokken.  Op zulke momenten kan je gemakkelijk van de weg afraken. Daarom heb je een lange adem en veel uithoudingsvermogen nodig.   Maar wanneer ik de ster dan terug zie, dan kan ik ook de ergste tegenslagen te boven komen. Hij fonkelt in de nacht en vertelt me: aan het einde van de weg is een licht dat je voor alle moeite zal belonen. En daar vertrouw ik op.”  Tot zo ver onze kameel.

Als we in deze adventsperiode werkelijk terug intensief willen leren verwachten, om zo onze diepste verlangens terug te leren begrijpen, dan kunnen we een voorbeeld nemen aan onze kameel. Dan wordt deze adventstijd voor ons als een oase in de woestijn; Een oase waar we nog even kunnen drinken, rusten, en de nodige kracht opdoen voor de laatste etappe van de reis naar Kerstmis toe. De drijvende kracht daartoe is ons verlangen – een verlangen dat we diep in ons terug moeten ontdekken.    Ik wens dan ook voor ieder van ons, dat deze adventstijd ons terug zal leren verwachten. Dat hij ons aanzet om ons op weg begeven en ons diepste verlangen op te sporen; om opnieuw te ontdekken waar ons hart ten zeerste naar verlangt. Laten we dan, net zoals onze kameel, op weg gaan en ik ben er zeker van: op het einde van de reis zullen we het kind in de kribbe ontmoeten.  Amen