Niet verraden

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
We zeggen vaak: ‘Zolang er leven is, is er hoop.' Op het eerste gehoor maakt dat het leven, en niet de hoop de grondslag van ons bestaan. Het is de vraag of dat wel waar is. Het omgekeerde schijnt eerder het geval te zijn. Als er geen hoop meer is, dan geeft het leven het op. Het is de hoop die de grondslag van ons leven is.

Daarom is het lijdensverhaal zoals het door Marcus verteld wordt zo tragisch. In Marcus' lijdensverhaal is het alsof Jezus' hoop bedreigd wordt.

Hij begint dat verhaal met de opmerking van Jezus dat hij weet dat hij door iedereen in de steek zal worden gelaten. Vervolgens beschrijft Marcus Jezus' doodsangst op de Olijfberg anders dan de andere evangelisten. Er is in dat relaas geen engel van God die hem komt bijstaan zoals in Lucas' evangelie. Bij Marcus heeft Jezus niet de voorkennis die Johannes hem toeschrijft, namelijk dat alles verloopt volgens een van te voren door God vastgelegd en door de profeten voorzegd plan. Er is bij Marcus haast geen sprake van troost. Jezus is praktisch alleen met de moordzuchtige bende rondom hem. Zelfs de man, die een natte spons naar zijn droge mond opsteekt, als hij vanaf het kruis over zijn droge mond klaagt, bespot hem. En de vrouwen, die hem trouw gevolgd hebben, worden op een afstand gehouden.

Vlak voor zijn dood schreeuwt Jezus het uit vanaf zijn kruis: ‘Mijn God, mijn God waarom heb je mij verlaten?', terwijl de voorbijgangers en zijn beulen spottend zeggen: ‘Laten we nu eens zien of God hem komt redden.' Het is alsof hij zijn hele verlatenheid in die enkele, zo menselijke en begrijpelijke woorden uitschreeuwt.

Waar was God? Het is diezelfde vraag die zo vaak geklonken heeft in deze wereld. In zijn boek Nacht vertelt Elie Wiesel hoe hij in een Nazi-concentratiekamp gedwongen werd de executie van twee joodse mannen en een jonge joodse jongen bij te wonen.

De kampcommandant weigerde als beul op te treden. Drie SS-ers deden het voor hem. De drie nekken werden in drie lussen gestoken... ‘Waar is God? Waar is hij?', zei iemand achter me. De drie stoelen werden onder de slachtoffers weggetrokken... We werden gedwongen langs de galgen te marcheren... de twee volwassenen waren al dood... maar de derde strop was nog aan het bewegen... Het kind was lichter en leefde nog. Achter me hoorde ik dezelfde man weer vragen : ‘Waar is God nu?' en toen hoorde ik in mijn binnenste een stem die de vraag beantwoordde: ‘Waar is hij? Hij is hier, hij hangt hier aan deze galgen.' Die avond smaakte de soep naar lijken.

Er is iemand onder het kruis die hetzelfde antwoord geeft. Het is een officier - een honderdman - die, schrijft Marcus, tegenover het kruis op wacht stond, en die zag onder welke omstandigheden Jezus stierf. Hij riep uit: ‘Waarlijk, deze mens was een zoon van God.' God was dus wel aanwezig. God was aanwezig op het ogenblik dat alle menselijkheid rondom hem verdwenen scheen te zijn.

In Jezus zelf was dat menselijke niet weggevallen. Het overleefde in Jezus zelf. In het sterven van Jezus op het kruis wordt het duidelijk dat een mens zijn persoonlijk belang, en al de ‘redelijke' en ‘logische' gevolgtrekkingen die zo'n keuze met zich mee brengt, kan overschrijden, om trouw te blijven aan een groter, een menselijker iets: het goddelijk goed.

Dat hij dat kon - en dat is wat zelfs die onverwachte getuige onder het kruis in de persoon van die officier opmerkte - is de basis voor onze uiteindelijke hoop, niet alleen in God, maar ook in dat goddelijk schepsel de mens. Terwijl praktisch iedereen hem verraadde, verraadde hij onze menselijkheid niet.

Al de evangeliën maken duidelijk hoe hij - lang voor hij gearresteerd werd - door vriend en vijand gevraagd wordt om niet naar Jeruzalem te gaan, om redelijk te blijven, om aan zijn eigen leven en aan zijn eigen belang (en het eigen belang van hen die hem dit vragen) te denken. Zelfs zijn eigen familie komt op hem af met datzelfde verzoek. Het schijnt dat ze het zelfs een keer klaarspeelden om zijn eigen moeder mee te brengen.

Als hij aan die bekoring toegegeven zou hebben, als hij zijn visie en ideaal daaraan opgeofferd zou hebben, dan zou hij niet de grondslag van onze menselijke hoop zijn, zoals hij dat nu is.

Als hij niet tot in de dood aan dit alles trouw geweest zou zijn, dan zouden we ons inderdaad allemaal door God verlaten kunnen voelen.