Wuiven op palmzondag

 

 Uit het dagboek van Aser

In de maand Nizan, dit is de lentemaand; stapte ik buiten de stadspoort van Jeruzalem in de richting van Betfage. De juiste datum ben ik vergeten.

Tijdens mijn wandeling hoorde ik meteen gejoel en gejuich. Een stoet kwam me tegen. Aan hun tongval te horen waren het Galileeërs. Ik bleef aan de kant staan. De groep was groot. Velen hadden palmtakken in de hand. Ze maakten er een plechtige processie van. Sommige legden zelfs hun mantel: op de grond. Daar kwam dan een man gezeten op een ezel. Het leek een ernstige maar vriendelijke man. Hij lachte zelfs. Later zijn veel boeken over hem geschreven. Men heeft zelfs de vraag gesteld of Jezus wel kon lachen. Als je op een ezel zit, moet je wel lachen. Met zoveel: enthousiaste mensen rondom jou, ben je blij.

Het volk in de stoet achtte de man op de ezel als iemand met aanzien. De mensen zongen: Hosanna zoon van David. Het was of hij de Messias zou zijn. Zo een welkomstlied kan je niet zingen noch beluisteren met een droevig gelaat.

Ik had het vlug door dat het ging over Jezus, de zoon van een timmerman. Hij kwam uit Nazareth en had een grote bekendheid onder de Galileeërs. Ik had gehoord dat hij de laatste weken in de omgeving van Jericho was gesignaleerd. Het interesseerde me wel hem eens te zien.

Ik was geraakt door het enthousiasme. En wanneer hij voorbij mij reed, heb ik met de hand gewuifd. Ik ben overtuigd dat hij mij gezien heeft. Ik heb zijn milde blik nog steeds voor ogen.

Ik heb nadien verder nagedacht over die dag, die men palmzondag is gaan noemen. Wat was zijn bedoeling om op een ezel de stad binnen te trekken? Wou hij door dit spel en rit met de ezel een lesje geven aan zij die hautain van op hun paard de kleinen de les spellen? Ik dacht aan een vers uit een psalm: “Koningen winnen niet door hun een machtig leger, brute kracht redt krijgsheren niet. Van geen nut zijn paarden voor de overwinning, hoe sterk ook, ze bieden geen uitkomen” (ps. 33,16-17).

Achteraf heb ik begrepen dat een woord van de profeet Zacharia in vervulling is gegaan. “Juich, Sion; Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin” (Zach. 9,9).

Ik had moeten meegaan die dag, maar ik ben verder gestapt richting Betanië. Naderhand heb ik vernomen dat Jezus een aantal keren in de tempel is geweest; dat hij daar en daarbuiten onderricht heeft gegeven en dat er discussies waren geweest met Sadduceeën, met Schriftgeleerden en Farizeeën. Dit voorspelde weinig goeds. Hij zou ook gezegd hebben dat wij waakzaam moeten zijn. Ondertussen hadden de hogepriesters en de Schriftgeleerden al uitgemaakt dat die Jezus uit de weg moest geruimd worden.

Naarmate Pasen naderde, kwam er meer volk in Jeruzalem. Zelf houd ik niet van die drukte. Ik vernam toch dat Jezus werd aangehouden en dat het Sanhedrin hem had veroordeeld. Dit omdat hij had gezegd dat hij de Christus was, de zoon van de levende God.

Pilatus de Romeinse landvoogd stemde er mee in dat die man uit Nazareth zou gekruisigd worden. Eerst toegejuicht als zoon van David, nu verstoten, erger dan een misdadiger. Het waren niet dezelfde mensen die hem eerder toegejuicht hebben en die nu riepen: “kruisig hem.” Alhoewel, je weet nooit. Vrienden van gisteren kunnen vandaag je vijand zijn.

De vrijdagmiddag ben ik toch uit huis weggegaan en ik ben zelfs tot op Golgota geraakt. Ik hoopte nog eens de blik van die goede man te zien. Zijn gelaat was door lijden verwrongen. Hoe wreed kunnen mensen zijn. Ze tergden zelfs een man die sterft aan een kruis. Ik hoorde zijn hartverscheurende kreet. Eloi, Eloi, lema sabachtanï en ik hoorde wat een Romeins officier zei, die bij het kruis van Jezus stond. Toen Jezus stierf, zei de Romein: “Deze man was de zoon van God.”

Zelf heb ik toen mijn handen gevouwen en gebeden: “Heer Jezus, zoon van God, ontferm u over mij.” Ik heb hem toen beloofd hem elk jaar met de palm in de hand te danken voor zijn blik op mij gericht op de weg tussen Betfage en Jeruzalem.

***************

Wuiven

Met de hand wuiven als een laatste groet op het perron wanneer de trein vertrekt en vrienden en bekenden ons verlaten.

Als kind heb ik gewuifd naar Engelse soldaten en doedelzak spelende Schotten.

Ik onthoud het wuivend gebaar van Poolse mensen voor duizenden bedevaarders op weg van Warschau naar Czestochowa.

Wuivende takken, het gebaar van palmzondag wanneer een man op een ezel de stad Jeruzalem binnentrekt en alom het Hosanna klinkt.

Wuiven een gebaar zonder woorden, waarin mensen aan elkaar het beste toewensen.

De Nederlandse dichter Anton Van Duinkerken zat als gijzelaar gevangen in 1942.

Zijn vrouw kwam op bezoek. Op zijn netvlies bleef het beeld ingeprent van zijn vrouw, die gedwongen hem verlaat en met haar zakdoek in het licht langs het korenveld gaat.

Hij was erdoor geraakt en schreef een prachtig gedicht over de wuivende.

In haar wuivend gebaar en in al wat beweegt ziet hij de warme groet van God.

Het wuiven van het gras en de bomen kan een teken van vriendschap zijn.

Bomen buigen niet, ze wuiven.

Dit is de laatste regel in het gedicht van Eugeen Laridon over Vrienden zijn als bomen.

Wuiven, daarin steekt weemoed en tevens hoop op een weerzien.

Wuiven, het kan een afscheid zijn maar tevens ook de groet van uit de verte als eerste teken van welkom.

Antoine Rubbens