5e zondag in de veertigdagentijd B - 2009

 

Normal 0 21 MicrosoftInternetExplorer4

Zusters en broeders,

Meer dan vijftig jaar geleden las ik het spannende jeugdboek Robinson Crusoe van de Engelse schrijver Daniel Defoe. Het verscheen in 1719, maar na meer dan twee eeuwen had het nog niets van zijn aantrekkingskracht verloren. Dat is vandaag trouwens nog niet anders. Een van de dingen die me ook na meer dan een halve eeuw bijgebleven is, is de graanteelt die Crusoe op zijn eiland uitbouwt. Zonder erbij na te denken had hij ergens in de schaduw van een rots een zak leeggeschud waarin graan was geweest dat door de ratten was weggevreten, maar blijkbaar hadden die enkele korreltjes gespaard, dus zag Crusoe tot zijn verbazing enkele weken later wat korenaartjes opschieten. Eerst had hij er geen aandacht voor, maar toen begon hij te rekenen: elk van die aren heeft vier graankamertjes met elk zo'n twintig graankorrels. Als hij die allemaal opnieuw zou uitzaaien, zou hij bij de volgende oogst al duizenden korrels hebben die hij opnieuw kon uitzaaien, en die zouden op hun beurt vele duizenden nieuwe korrels opleveren. En na vier oogsten zou hij al genoeg graan overhouden om nu en dan een broodje te bakken. Maar het grootste deel zou hij vooreerst toch telkens moeten uitzaaien, want hij wist: ‘Als de graankorrel niet in de aarde valt, blijft hij alleen; maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort.'

Crusoe illustreert hier letterlijk het woord van Jezus, en het klopt als een bus: alleen als de graankorrel sterft, kan hij veel vrucht voortbrengen. We zien het trouwens elk jaar opnieuw op onze velden gebeuren. Maar Jezus bedoelde het natuurlijk niet letterlijk, wel figuurlijk. Misschien betrekt Hij de uitspraak op zichzelf, en is Hijzelf de graankorrel die moet sterven om vrucht te kunnen dragen. Maar wellicht moet de uitspraak ook direct verbonden worden met wat erop volgt, namelijk: ‘Wie zijn leven liefheeft verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven haat, behoudt het voor het eeuwige leven', en dat slaat alleszins niet alleen op Jezus, nee, het slaat op iedereen. En zo krijgen we inzicht in wat Jezus bedoelt.

‘Wie zijn leven liefheeft, verliest het.' Het is een bijna tegennatuurlijke uitspraak. Natuurlijk hebben we het leven lief, waarom zouden we het niet liefhebben! Elk leven, ook het onze, is immers een geschenk van God. Maar er is liefhebben en liefhebben. Om een ander woord van Jezus te parafraseren: ‘De mens leeft niet van zijn leven liefhebben alleen.' Ik bedoel: meer en meer mensen beperken hun leven bij manier van spreken tot hun lichaam. Dat wordt een doel op zich. Er mag geen rimpeltje verschijnen, of er moet ingegrepen worden met potjes en olietjes en smeerseltjes en ga nog maar even door, en als dat allemaal niet helpt, dan wordt het mes erin gezet voor een potje plastische chirurgie. Alles moet eraan geloven: rimpels, vet, buik,, borsten, dijen, noem maar op. Maar wat je ook probeert, je zult die strijd altijd verliezen, want veroudering is wel uit te stellen, maar niet tegen te houden. Mensen voor wie het leven meer is dan alleen maar hun lichaam, zullen dat heel normaal, en dus ook behoorlijk draaglijk vinden, maar ik vraag me af hoe mensen die aaneenhangen van de plastische chirurgie zich bij veroudering voelen. Ze verliezen immers alles wat ze bezitten, en dat is hun lichaam, hun verafgode lichaam. Lang voor ze sterven, verliezen ze hun leven al, want hun perfecte lichaam was hun leven, en nu is het niet meer perfect.

‘Als de graankorrel niet in de aarde valt, blijft hij alleen, maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort.' Ik denk dat we, om veel vrucht voort te brengen, dus om zelf gelukkig te zijn en andere mensen gelukkig te maken, een beetje moeten sterven aan onszelf. Jezus vraagt dat we verder zouden kijken dan onszelf, en zeker verder dan ons lichaam. Want als we alleen naar onszelf kijken, zien we alleen maar onze eigen navel, en daar zullen we heel snel op uitgekeken zijn, en we zullen nog alleen achterblijven ook. Net zoals die korrel die niet in de aarde valt. Ik denk dat dit niet echt het doel van het leven kan zijn: rond je eigen as draaien, en waar je ook kijkt alleen maar je eigen spiegelbeeld zien. Er zijn beslist prettiger dingen denkbaar.

Zusters en broeders, een woord dat bij Jezus altijd terugkomt, is ‘dienen'. Van zichzelf zegt Hij: ‘Ik ben niet gekomen om te heersen, maar om te dienen', en vandaag vraagt Hij dat wij hetzelfde zouden doen: dienen, en dat is: je niet vastklampen aan jezelf en zeker niet aan je lichaam, maar jezelf uit handen durven geven voor anderen, voor de gemeenschap. Een beetje sterven aan jezelf, verder kijken dan alleen maar meegraaien voor jezelf en pakken wat je kunt krijgen, en er zijn voor God, voor elkaar en voor alle mensen. Broederlijk leven en broederlijk delen. Want daarom zijn we op de wereld gekomen: niet om ons te wentelen in eenzaamheid en egoïsme, maar om gelukkig te zijn met elkaar, en met God als onze steun. God die ons bij monde van Jeremia in de eerste lezing zegt dat Hij op elk moment bereid om met ons een nieuw verbond te sluiten, een verbond van liefde en vrede. Laten we dit aanbod niet weigeren, want dan zijn we als die graankorrel die niet in de aarde valt. Amen.