Vader, verheerlijk uw naam

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Een jonge man in de kracht van zijn jaren, echt een jonge ‘kerel', is daar op het tempelplein van Jeruzalem. Het is een drukte van belang. Vreemde mensen die er van hot naar haar rennen en goede zaken doen in hun stalletjes, want er zijn veel bedevaarders en die willen allemaal hun offer brengen, en wat meenemen voor thuis. Zo gaat dat op bedevaartplaatsen, vroeger en nu. En de jongeman - we herkennen in hem Jezus - staat er wat verlegen tussen, dood-alleen, verscheurd, vertwijfeld, bewogen. Wat moet ik zeggen?", zegt Hij, wanneer enkele mensen, vreemdelingen naar hem toekomen, want de meeste van zijn volksgenoten hebben andere zorgen om zich mee bezig te houden.
Hij voelt, dat Hij nu tot de bodem moet gaan, als een zaadje dat eerst in de aarde moet vallen, en afsterven, voordat het vrucht kan opleveren. Deze gehoorzaamheid tot de dood moet Hij nog leren in de school van het lijden (Heb. 5,8).
Nu is het spreken voorbij, zegt Hij tegen de Grieken, nu moet Mijn ideaal gedaan worden. Nu is Mijn uur gekomen, het uur van de waarheid, geen gemakkelijk uur en Jezus wil wel uitroepen: "Vader, redt Mij uit dit uur, maar tegelijk weet Hij: als Ik nu niet doorzet, als Ik nu niet laat zien hoeveel Mijn ideaal mij waard is, al moet Ik het met de dood bekopen, dan kan iedereen Mij nawijzen: de soep wordt niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend!
Men zal zeggen: naastenliefde akkoord, als het je goed uitkomt; over de armen in de wereld spreken: jazeker, en zo nu en dan ook een aalmoes, maar zeker niet ten koste van eigen leven. Zo redeneert de wereld, maar Jezus van Nazaret zegt: als Ik nu niet doorzet, dan is Mijn hele ideaal ontkracht. De mensen zullen moeten weten wat voor een kracht Mij bewogen heeft, hoezeer Ik geloof in wat Ik gezegd en gedaan heb. Mijn eigen dood zal daarvan het getuigenis moeten zijn.
Als de graankorrel sterft, brengt hij rijke vrucht voort... Dit is Mijn heerlijkheid, zo word Ik de door God, Mijn Vader, bedoelde mens. Als zij die mens in deze wereld zien wonen, dat Mijn idealen met Mijn eigen dood gehandtekend zijn, dan zullen velen na Mij het de moeite waard vinden om erin te gaan staan.

Beste Grieken, beste mensen van vandaag, zo lijkt Jezus te zeggen, Mijn heerlijkheid moet gedaan worden. Maar Ik heb daar steun bij nodig en daarom bidt Jezus: Vader, verheerlijk uw naam; laat nu niet mislukken, waarvoor Ik mijn leven gegeven heb. En dan klinkt die stem van boven: "Ik heb hem verheerlijkt en Ik zal hem verheerlijken." God zelf zegt: "Kijk, als je zo instaat voor je idealen, dan wil Ik graag achter je staan. Dan is jouw zaak mijn zaak geworden." Daarom kan Jezus, hoewel zijn ziel ontroerd is en het zo vanzelfsprekend is, dat Hij bidt: "Vader, redt Mij uit dit uur", toch zeggen: ik zet door, want opdat Gods naam verheerlijkt wordt in die van Jezus, daarom is Hij tot dit uur gekomen.
Maar dat doet pijn. Alle verlies doet pijn. Alle wegvallen van leven doet pijn. En toch vindt daarin de echte menswording plaats.
Zeker, ik moet het lijden en de pijn bestrijden, waar ik maar kan, bij mezelf en bij anderen. Van de andere kant moet ik goed weten, dat lijden, pijn en dood horen bij de menselijke ‘conditie', dat wij niet anders geschapen zijn, dat wij een ‘uittocht' te maken hebben. Maar juist in die verwarring, verslagenheid en donkerte, zal de mens opstaan die ik van God uit ben. Daar zal blijken uit wat voor hout ik ben gesneden, en van waaruit ik leef. In het aangezicht van de dood blijkt de kwaliteit van het leven. In het oorlogsverzet werd dat eens te meer duidelijk. Voor iedere mens mag daarom de stem uit de hemel klinken: "Ik heb hem verheerlijkt." Iemand schreef ooit: de grootste glorie van God is de levende mens. Daar wordt God het meest verheerlijkt, waar de mens - door alle lijden en ondergang heen - tot leven komt. Jezus verwerpt het leven niet, hij zegt niet dat het te verwaarlozen is en verloren moet raken. Hij heeft het leven hartstochtelijk liefgehad, juist nu zal dat blijken. Juist in deze passietijd zullen wij oog krijgen voor Jezus en zijn lijden, maar ook voor de mens en voor alles wat hij moet meemaken en ondergaan. De passietijd is een tijd van groot mededogen voor allen, die ergens onder te lijden hebben. En zij verdienen onze inzet, ook al zal dat een stuk van ons leven kosten. Het is immers veel gemakkelijker te proberen zich ver van het lijden te houden en het maar ‘zo goed te maken als we kunnen'. Dat is niet de school van het lijden doorlopen, zoals Jezus heeft gedaan.
De vraag blijft: hoe en met welke keuze verheerlijken wij Gods naam, waarmee verbinden wij ons, zodat ook onze naam in Hem verheerlijkt wordt?