4e zondag in de veertigdagentijd (2009)

Uit het dagboek van Nicodemus, voorheen schriftgeleerde in de tempel te Jeruzalem.
Geschreven zo'n 10 jaar na de verwoesting van de tempel door de Romeinse overheersers, dat is in onze jaartelling ongeveer in het jaar 80.

Nicodemus schreef:
Ik heb vandaag bezoek gehad. Dat gebeurt niet vaak meer. Ik ben een oude man, eenzaam achtergebleven in de verwoeste stad Jeruzalem. Steeds nog verlang ik naar de tijd, dat de tempel het middelpunt van onze stad en van mijn leven was. Ik was er leraar, en leerde de jongemannen van mijn school de oude verhalen. Hoe God ons volk gemaakt heeft, ons zijn wet heeft gegeven, en onze voorouders naar het beloofde land heeft geleid. Maar ook de verhalen over de slechtheid van onze koningen, de afgodendienst van het volk. Over de profeten die steeds weer probeerden koningen en volk tot de orde te roepen. Over de straf van God, dat hij het volk in ballingschap liet wegvoeren, de tempel verwoesten. En over de goedheid van God, dat hij zijn volk genadig was, terugbracht naar haar land en heilige stad, en de tempel weer liet herbouwen.
Nu zijn we weer in zo'n tijd van godverlatenheid: de Romeinen hebben de tempel verwoest, Jeruzalem geplunderd, het volk vermoord of verspreid over de wereld. Wij enkelen die achtergebleven zijn kunnen slechts bidden dat God zijn volk genadig zal zijn, opnieuw zal herbouwen wat hij ooit zelf is begonnen. Zo slijt ik mijn laatste dagen in deze stad vol ellende.
Maar nu is er iemand teruggekeerd in Jeruzalem, die ik al heel lang niet meer gezien had: En hij kwam bij mij op bezoek. Johannes, de zoon van Zebedeus. Hij was destijds, het is al zo'n 50 jaar geleden, de jongste van de 12 leerlingen die Jezus van Nazareth om zich heen verzameld had. Hij was nog maar een jongen, toen hij met Jezus optrok. Hij heeft het eind van Jezus' leven, die onrechtvaardige veroordeling en die verschrikkelijke terechtstelling van heel nabij meegemaakt. Ik ook, maar ik stond er toch wel anders tegenover dan hij.  Hij was Jezus' meest geliefde leerling, ik was slechts een geheime bewonderaar van Jezus. Ik heb Jezus' optreden van begin af aan gevolgd. Het was verbazend wat hij deed, mensen genezen, boze geesten uitdrijven. Ik ben toen eens op een nacht naar hem toegegaan om van hemzelf te horen door welke kracht hij die dingen kon doen. Maar al pratend met elkaar leek het dat Hij en ik in heel verschillende denkwerelden verkeerden. Ik werd er weinig wijzer van. Toch heb ik alles wat er daarna door en met hem gebeurde met grote belangstelling gevolgd, al was het in het geheim, want ik wilde mijn taak als leraar niet kwijt raken, en de andere schriftgeleerden moesten helemaal niks van Jezus en zijn volgelingen hebben.
Toen hij ter dood veroordeeld was heb ik hem zien sterven, vanaf een afstand. Maar toen iedereen naar huis was gegaan, omdat de sabbat begon, heb ik met enkele bekenden er voor gezorgd dat zijn lichaam begraven werd, omdat we het niet konden aanzien dat deze rechtvaardige mens als een misdadiger dagenlang te kijk zou blijven hangen. Een kwestie van respect. Wat er daarna allemaal gebeurd is heb ik alleen maar van horen zeggen: geruchten dat het graf na drie dagen leeg was. Hoe het ook geweest is, 50 dagen na de dood van Jezus gingen zijn leerlingen de straat op, en één van hen, Petrus hield een redevoering die bij velen enorm aansprak. Hij beweerde dat Jezus niet dood is, maar leeft, en aan ieder die zich op hem richt een heilige geest geeft. Die volksoploop liep toen uit in een enorm doopfeest waarbij misschien wel 3000 mensen zich lieten dopen. Ik heb het vanaf een afstand allemaal waargenomen. Ik herinner me nog altijd het lied dat daarbij gezongen werd, die steeds herhaalde melodie, die ene zin: Dat wij volstromen met levensadem en weten eindelijk geboren. Dat lied speelt nog vaak door mijn hoofd.
Na die tijd zijn de meeste van Jezus' leerlingen de wereld ingetrokken om het verhaal van zijn leven en sterven, en het geloof dat hij toch leeft, aan zoveel mogelijk mensen te vertellen. Johannes heeft eerst een poos voor de moeder van Jezus gezorgd, maar later is ook hij weggetrokken uit Jeruzalem.
Maar nu is hij terug en vandaag is hij bij mij langs geweest. Johannes wilde mij spreken omdat hij het plan heeft opgevat om het hele verhaal van Jezus op te schrijven, alles wat hij heeft gedaan en gezegd, en alle gebeurtenissen rond zijn sterven en de  opstanding uit de dood. Daarmee wil Johannes een getuigenis maken dat voor alle mensen die nu en in de toekomst leven onomstotelijk zal aantonen, dat Jezus, zo zei Johannes het vandaag, "Gods eniggeboren zoon" is.
Johannes wilde van mij graag horen hoe mijn nachtelijke gesprek met Jezus destijds gegaan was. Dat gesprek, hoe onbegrijpelijk het ook was, is mij altijd bij gebleven, en ik kon Johannes een bijna woordelijk verslag ervan doen. We hebben samen gelachen om mijn domme opmerking van destijds, dat het toch niet mogelijk is dat een mens terugkeert in de moederschoot om opnieuw geboren te worden. Maar ja, ik begreep die woorden van Jezus over opnieuw geboren worden niet. Toen niet, en, zei ik tegen Johannes: "nu nog steeds niet". Ik zei: "Ik heb altijd geleefd met het idee van God als hoeder van ons uitverkoren volk, streng maar rechtvaardig. Die wil dat wij zijn Thora, de tien geboden, naleven, en verder de godsdienstige plichten volbrengen die Mozes ons heeft geleerd. Dat is niet zoiets als wedergeboren worden, dat is juist vasthouden aan overlevering en traditie." 
Toen begon Johannes uit te leggen: over Abraham, dat hij wedergeboren werd toen hij wegtrok uit zijn vaderland, over Isaak, die wedergeboren werd toen hij niet geofferd werd door zijn vader, over Jacob, die vocht met God, en van toen af een ander mens was. Over het volk Israel dat opnieuw geboren werd, toen het wegtrok uit het slavenhuis Egypte. Al die verhalen die ik bijna mijn leven lang al zo goed ken werden vandaag opeens nieuw voor me. En hij vertelde over de mensen die door Jezus waren aangesproken, en vanaf dat moment nieuwe mensen waren: mensen met een visioen voor ogen, een koninkrijk der hemelen, waarin de ene mens er is voor de ander. Johannes eindigde zijn betoog: "Gods wetten , dat zijn geen starre regels, maar liefdevolle aanwijzingen voor waarachtig leven, zodat mensen zullen zijn zoals ze bedoeld zijn." En opeens besefte ik, dat de ernst van de situatie in deze verwoeste stad Jeruzalem niet is, dat de tempel er niet meer is, dat de godsdienstige rituelen niet meer worden nageleefd, dat de heilige boeken niet meer worden gelezen. De ernst van de situatie is, dat hier onrecht heerst, de Romeinse machthebbers en hun handlangers de mensen uitbuiten, dat het volk in sloppenwijken leeft, dat ze niet genoeg te eten hebben, dat kinderen sterven van vervuiling en ziektes die in feite eenvoudig genezen kunnen worden. En ik zei: "Weet je wat nodig is? Dat deze stad opnieuw geboren wordt. Kon dat maar, een stad die nieuw en stralend neerdaalt uit de hemel. Een nieuw Jeruzalem".
Johannes keek strak voor zich uit. "Ik zie het voor me " zei hij, "een stad Gods, mooi getooid als een bruid in de morgen". We bleven een poos stil, alsof we beide hetzelfde visioen zagen.
"Zou ik op mijn oude dag nog opnieuw geboren kunnen worden?" vroeg ik. Johannes zei: "Vandaag is het begin van je nieuwe leven. Wat je fout hebt gedaan in het verleden hoeft je niet te weerhouden om vandaag het goede te doen. Er is vergeving van zonden, heeft Jezus gezegd."
Ik vertelde Johannes van dat lied dat nog zo vaak door mijn hoofd speelt: Dat wij volstromen met levensadem en weten eindelijk geboren. We hebben het samen gezongen. Daarna is Johannes weggegaan, met de belofte dat hij snel terug zou komen om me het hoofdstuk over mijn gesprek met Jezus voor te lezen. Enkele weken later schrijft Nicodemus in zijn dagboek:
Ik heb uitgezien naar het tweede bezoek van Johannes, maar hij is niet gekomen. Vandaag ontving ik uit handen van een man een bundel papier. De man vertelde dat Johannes door de Romeinse machthebbers uit de stad is verbannen. Hij is op transport gesteld naar een eenzaam en ver eiland: Patmos.
Ik ben gretig in de bundel papier aan het lezen gegaan. Het bevat het hele verhaal van Jezus leven, sterven en opstanding. Voor en tussen de verhalen heeft Johannes een aantal stukken toegevoegd waarin hij beschouwingen geeft over de betekenis van Jezus.
Hij heeft dat in een prachtige stijl gedaan. Neem nou de eerste regel, waarmee zijn geschrift begint: In den beginne was het woord, en het woord was bij God, en het woord was God.
Het is of hij het eerste boek van Mozes over de schepping van de aarde heeft willen aanvullen, voltooien. Natuurlijk heb ik snel gezocht naar het verhaal over mijn gesprek met Jezus. Johannes heeft letterlijk opgeschreven wat ik hem heb verteld. Maar hij heeft er een heel stuk aan toegevoegd. Dat heeft hij opgeschreven alsof Jezus dat zelf tegen mij heeft gezegd.  Maar ik kan het me niet herinneren. Het moet wel zo'n filosofische beschouwing van Johannes zelf zijn. Onbegrijpelijke woorden, vind ik:
"Zozeer heeft God de wereld lief gehad dat hij zijn eniggeboren zoon heeft gegeven opdat alwie in hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben. Dat klinkt zeker nog wel hoopvol, maar dan: Wie in hem gelooft wordt niet geoordeeld, wie niet gelooft is al veroordeeld." Dat klinkt veeleisend en bedreigend. Zoveel geloof te eisen van mensen, op straffe van een veroordeling. Hoort dat ook bij de liefdesboodschap van Jezus? Ik kan dat niet in overeenstemming brengen met de hoopvolle gedachte dat het voor iedereen altijd mogelijk is om vergeving van zonden te krijgen, een nieuwe mens te worden.
Ik zal de teksten doorgeven aan de groep hier in de stad die zich christenen noemt. De tekst vraagt om nadere bestudering, uitleg, interpretatie. Als dat maar niet een bron van onenigheid gaat worden over de juiste betekenis van Johannes woorden. Ik weet hoe schriftgeleerden zijn. Ik ben er zelf één geweest.
Al vijftig jaar denk ik na over deze bijzondere mens Jezus. Hoe hij was als mens voor mensen is onvergetelijk.
"Alwie in Hem gelooft zal eeuwig leven hebben" schreef Johannes. Ik weet niet of ik genoeg geloof heb. Geloven, is dat misschien niet meer en niet minder dan verlangen te zijn zoals Hij was?
Ik leef graag verder met het idee, de hoop  van wedergeboren worden, opnieuw beginnen, vandaag, morgen, elke dag, tot aan mijn dood, misschien wel tot na mijn dood.
Zou je dat ook mogen hopen?
Dood zijn, en dat is dan "volgestroomd met levensadem, eindelijk geboren"?