reddende slang (2009)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

KLEINE LIEKE

De kleine Lieke kruipt razendsnel door de kamer als mamma even een glas wegbrengt. Ze trekt zich omhoog aan het kastje waar de televisie op staat. De vingertjes strekken zich uit naar alles wat houvast biedt, wat blinkt en waar je op duwen kan. Als mamma in de kamer komt spreekt ze haar boos toe. ‘Stoute meid!' Ze geeft haar een tik op de vingertjes. Lieke was op onderzoekingsreis. Ze deed wat ze moest doen: ontdekken! Ze ervaart dat dit pijn kost. Het zal zich nog vaak herhalen in haar leven. De fijne, lekkere dingen doen pijn. Snoep wordt gestraft met de tandarts. Sigaretten haal je uit een doos met doodsdreigingen en alcohol baart knallende hoofdpijn. Wat goed voor je is, vraagt offers. Wie een stuk gezondheid wil terugwinnen in het ziekenhuis moet daar veel offers voor brengen.

 

AFSTOTELIJKE REDDING

De Israëlieten hadden dubbelzinnige gevoelens overslangen. Enkele tientallen soorten kwamen er voor, waaronder enkele giftige. Men vond ze gevaarlijk. Ze hadden iets van de aarde; ze aten - dacht men - stof, maar ze lieten soms ook hun oude vel achter zich en kropen er vernieuwd uit. Daarom was de slang niet alleen een kind van de dood maar ook van het leven. Er bestonden allerlei geneeskrachtige culten rond slangen. Met een daarvan maakte het volk kennis in de woestijn. Wie door een giftige slang gebeten was kon genezen door op te kijken naar een koperen serpent. De slang was het kwaad en de remedie tegelijk. Je redding ziet er afstotend uit!
Mozes zelf was een deskundige als het om slangen ging! In zijn onderhandelingen met de Farao hadden hij en zijn broer Aäron eens een stok op de grond gesmeten. Die was in een slang veranderd. Zo wilde Mozes de farao schrik aanjagen: met god viel niet te spotten. De Farao was niet onder de indruk geweest, want zijn priesters deden hetzelfde kunstje. Kennelijk hoorden dit soort magische praktijken bij het leven. De slang van Aäron echter, had die van Farao opgegeten, en dat gaf ernstig te denken. Mozes had iets met slangen. Pas negen eeuwen later, zou koning Hizkia een definitief einde aan de slangencultus maken. Het verhaal werd doorgegeven, zoals wij angstige spookverhalen over bliksem, bacteriën, spinnen en muizen van generatie op generatie doorgeven.

 

KRUIS ACCEPTEREN

De evangelist Johannes gebruikt het beeld als hij het over Jezus heeft. De meesten van ons hebben een kruisbeeld in huis. We zijn ermee opgegroeid. Het valt niet meer op. Je zag het vroeger ook in het gemeentehuis, in klaslokalen en bij de bakker. Je ziet er nog steeds een op bijna elk kruispunt. Je staat er niet meer bij stil, maar het is een afschuwelijk beeld. Een beeld van lijden en van veroordeling. Een beeld waarmee misdadigers moesten worden afgeschrikt. Een beeld waarvan je de blik afwendt. Het was niet iets dat het christendom populair maakte: een gekruisigde voorman. De kerk was dan ook terughoudend met het uitbeelden ervan. De evangelies beschrijven Jezus' lijden in sobere termen. Kunstenaars beeldden hem af als een koning, gekroond en met een mantel om, of anders met de rust op het gelaat van de overwinnaar. Pas vele eeuwen later, - we zitten dan al in de tijd van de kruistochten en de eerste antisemitische uitbarstingen -, gaat men Jezus' gelaat gruwelijke trekken geven. Het is dan niet meer: ‘wíj hebben hem vermoord, maar zíj hebben hem vermoord.'

 

KWAAD ONDER OGEN ZIEN

Johannes tobt ermee hoe hij de boodschap over Jezus' lijden zo aanvaardbaar mogelijk aan zijn publiek kan vertellen. Hij herinnert zich het verhaal van Mozes. Hoe het volk, om van de slangenbeten genezen te worden, op moesten kijken en het kwaad onder ogen zien. Alleen wie de blik niet afwendt van het lijden, kan genezen worden. Zo was het met de slang. Zo is het met het kruis, het kruis van Jezus, het kruis van de buurman, van je vriend, je familie, je kind, je ouder, je vijand. Alleen door het onder ogen te zien kun je het overwinnen. De stap die je zoveel moeite kost, de gang naar een zieke vriendin, de visite aan een oom in het hospice, een bezoek in het mortuarium: ze kunnen je bevrijden.
De kleine Lieke zou nog vaak op de vingers worden getikt, maar nu heeft ze ontdekt dat het niet helpt om je ogen te sluiten voor de ellende in de wereld. Alleen als je er naar durft kijken kan er iets van genade, iets van troost en hoop en genezing dagen.

 

SERPIE

Lieve kinderen. Onder het hoge gras van een wei lag een addertje. Het was nog een jonkie, Serpi heette hij. Serpi was verdrietig. Zijn leven was geen pretje. Muizen waren wel lekker, dat wel, maar voortdurend liepen grote mensen achter hem aan, schreeuwend en met stokken en bezems. Iedereen was bang voor hem..., en boos op hem. Daar begreep de kleine Serpi niets van. Het werd lente. De zon scheen weer wat langer en Serpi kreeg weer een beetje zin in het leven. Zijn bloed warmde lekker op. Nieuwsgierig kronkelde hij naar twee kinderen toe. Puk en Pien hadden een grote handdoek over het gras gespreid en begonnen hun picknick mandje uit te pakken. Een broodje met peperkoek, twee hardgekookte eitjes en een blikje cola. Serpi kwam nieuwsgierig dichterbij. Ineens sprong Puk overeind. Haar haren gingen rechtop staan, ze leek wel twee keer zo groot. Haar handen in de lucht. ‘Huuu, kijk..., een slang... hellep!' Pien was ook opgesprongen en allebei stapten ze wild achteruit, vielen over de picnickkorf en kronkelden in het gras. Serpi snoof de geur van mensenzweet. Het schreeuwen van Pien hoorde hij niet, want oren had hij niet. Hij begreep alleen, dat de kinderen met hem in het gras wilden kronkelen. Eindelijk speelkameraadjes! Zo begon Serpi vol blijdschap aan de lente.