Wat is in Hem GELOVEN? (2009)

De eerste lezing is een stuk uit een groter geheel. En als we horen ‘in die tijd' dan zitten we halfweg de 7e eeuw voor Christus.

Wat is het probleem?

Vanaf de 11e E voor Christus krijgt het volk van Israël koningen. Ze worden gezalfd als teken dat ze door God zijn uitverkoren. Zo kennen we allemaal koning David en Salomon (bouwde de tempel). Dat waren goede koningen, die het volk van God leidden volgens de tien Woorden, de tien geboden, al hadden ze ook hun fouten en beperkingen, het waren zeker geen heiligen. Maar na Salomon gaat met de koningen bergaf. Ze dwalen steeds verder van de tien Woorden af, zijn steeds meer uit op persoonlijke macht en worden corrupter. Daardoor verwildert ook het volk, d.w.z. ze leven steeds meer van God weg.

Slechts één voorbeeld: uit 10 Woorden: de Sabbathswet.

De Sabbathswet is veel meer dan de zondagsrust of het ter kerke gaan. Het derde gebod heeft te maken met: geen slaaf worden.

God had de wereld geschapen in 6 dagen en de 7e dag rustte hij. Ook de mens mocht geen slaaf van de arbeid worden. Daarbij was die sabbatsrust telkens een herinneringdag aan het feit dat God hen uit Egypte had weggeleid opdat ze geen slaven zouden zijn. Het is een wet tegen slavernij. Zo ook hadden de dieren recht op rust, maar ook het land. Het land mocht 6 jaar bewerkt worden, maar moest het zevende jaar braak blijven liggen, rusten om opnieuw op kracht te komen. Dat gingen ze steeds meer en meer verwaarlozen uit hebzucht. Om de 7 jaar was er een sabbathsjaar: toen moesten de slaven vrij gelaten worden, en wie bezittingen had verloren uit geldnood, had het recht die terug te kopen aan de geldende prijs, maar verminderd met het vruchtgebruik waarvan de ander had genoten. Maatregelen om zwakken te beschermen, om een menswaardige samenleving te creëren. Maar ze werden onder de nieuwe koningen steeds meer en meer verwaarloosd.

 

Het land van Israël was een klein koninkrijk. Vandaar dat de koningen steun zochten bij machtiger koninkrijken als Babylon of Egypte, niet zozeer ten voordele van hun volk, maar om als koningen, als machthebbers, zichzelf in het zadel te houden, hun persoonlijke macht te behouden en te versterken. Daardoor werden de mensen steeds meer ‘slaven', ‘objecten' van vreemde machthebbers. Ook kwamen steeds meer ‘vreemde' invloeden het leven van het volk Gods binnen zodat het leven, het handelen vanuit hun geloof steeds meer verwaterde.

Dat is wat in de eerste lezing bedoeld wordt met: ze bedreven alle gruweldaden van de heidenen en ontwijdden het huis van de Heer.'Huis van de Heer is niet zozeer de tempel, maar het ‘Beloofde Land', d.w.z. de samenleving zoals God die droomt, waar de Heer zich thuis kan voelen.

Tegen die gruweldaden waarschuwen de profeten als Jesaja, Jeremia en Ezehiël voortdurend, maar hun waarschuwingen worden genegeerd.

Daarbij komt nog, Sedekia, de koning van die tijd (650) pleegde woordbreuk (zwaar vergrijp volgens de geboden van God) tov de Babyloniërs, met het gevolg dat de Babyloniërs in toorn Judea binnen vallen, enorm veel slachtoffers vallen, de tempel volledig wordt verwoest en heel velen naar Babylon als ballingen worden meegevoerd voor lange tijd. Dat is de passage in de eerste lezing: Ze staken het huis van God in brand. Ze= de Babyloniërs. Ze zullen in ballingschap als ‘slaven' leven tot de Babyloniërs overwonnen worden door de Perzen en de Perzische koning Kores het volk gods naar Judea laat terug keren. Daarom zegt de tekst: Zo ging het woord dat de Heer door Jeremia gesproken had in vervulling: `Het land zal zijn sabbatjaren vergoed krijgen!' Het land bleef al die tijd braak liggen en rustte uit, zeventig volle jaren lang.= een generatie. De sabbathsrust die ze het land niet gegund hebben uit hebzucht (maar hier wordt meer bedoeld dan het ‘land') wordt daardoor gecompenseerd.

De les is duidelijk: een samenleving die niet leeft volgens Gods tien Woorden, 10 adviezen tot écht leven, creëert chaos, slavernij, ellende, on-leven. Wat TOEN gebeurd is uit hebzucht, machtswellust....gebeurt dat niet nog in onze wereld?Ik kom daar straks op terug bij ‘Broederlijk Delen'.

 

In het Nieuwe Testament, met de komst van Jezus, geloven wij Christenen dat Jezus' woorden, zijn handelen en manier van leven, de weg van God is, de vervulling, de conrete toepassing van die 10 Woorden. Daarom zegt Johannes in de evangelielezing: Hij is het LICHT, het licht dat ons de weg wijst in de chaos, in ons stuntelig tasten en zoeken om te leven naar Gods droom met de wereld. Johannes zegt eigenlijk: Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; maar wie niet gelooft is al veroordeeld, omdat Hij niet geloofd heeft in de naam van de eniggeboren Zoon van God. We moeten wel heel goed opletten met ‘wie gelooft'. Johannes legt uit wat dat oordeel zal zijn, wat ‘geloven' betekent:Wie kwaad doet, haat het licht: hij komt niet naar het licht toe, want dan worden zijn daden openbaar gemaakt; maar wie de waarheid doet, komt wel naar het licht toe, want dan zal blijken dat zijn daden in God zijn verricht.'

Meewerken aan de droom van God, leven volgens de 10 Woorden, Jezus proberen te volgen is het goede DOEN, het kwade laten.

[Daarvoor ijveren we ook tijdens de vasten voor mensen verweg, waarbij India dit jaar centraal staat, waar mensen tot slaaf worden gemaakt, opgeofferd worden aan het kwaad.

India is het land met een van de snelst groeiende economieën ter wereld, en toch leeft 80% onder de absolute armoede grens ( met 2 euro per dag) en zelfs 34% met of onder 1 euro per dag, juist omdat mensen worden opgeofferd aan industrie, aan privébelangen van de gefortuneerden of aan corrupte ambtenaren.

De geofferden zijn de kastelozen. Alhoewel sinds de grondwet van 1950 discriminatie op basis van kaste in India verboden is, ziet de werkelijkheid er helemaal anders uit.

Een bevolkingsgroep van de kastelozen zijn de Adivasis, mensen die altijd geleefd hebben van wat het woud hen gaf. Maar door ontbossing, verkoop van bossen door de overheid voor privéterrein, etc. kunnen de Adivasis niet meer leven van wat het woud hen biedt. Ze moeten nu leren aan wat het woud hen nog geeft maximaal te gebruiken. Daarbij moeten ze nu ook leren aan landbouw te doen. Op beide terreinen hebben ze geen ervaring. Daarbij zijn ze ongeletterd en weten niet welke rechten ze hebben.

Dalits zijn die groep van mensen die het vuilste werk opknappen. Ze zijn ‘onaanraakbaar', d.w.z. wie hen aanraakt, moet zich ritueel wassen. Ze hebben geen toegang tot waterbronnen en tempels. Ook zijn er de vele vrouwen en kinderen (meestal door mensenhandelaars meeglokt met mooie beloftes) die bij de gegoeden huisarbeid verrichten. Maar eigenlijk worden ze hun slaven, dikwijls opgesloten en mishandeld. Vooral voor die mensen vecht de Vlaamse zuster Jeanne Devos in India al 25 jaar, én met succes.

De actie van Broederlijk Delen , waarvoor vandaag ook een omhaling wodrt gedaan) is méér dan een geldtransfer. Met vorming, tactische steun helpt Broederlijk Delen de mensen zelf initiatief te nemen, zich te groeperen, samen te werken, coöperaties te vormen, zichzelf terugbetalende microkredieten te verlenen, kennis aan mekaar door te geven, op te komen voor hun rechten. Broederlijk Delen werkt daarom samen met plaatselijke projectpartners die de plaatselijke noden en situatie heel goed kennen.

Ja, er worden nog steeds mensen opgeofferd, er zijn nog steeds slaven voor machthebbers.]