Vierde zondag in de Veertigdagentijd (2009)

Inleiding

Vandaag, op deze vierde zondag van de Veertigdagentijd, zijn we op de helft van de Veertigdagentijd. Omdat wij al zo ver zijn gekomen op de weg naar de bevrijding van onze gevangenschap in onszelf door onze zonden, de bevrijding door de Heer, onze God, wordt deze zondag als vanouds met vreugde gevierd. Daarom heet deze zondag dan ook 'zondag Laetare'. 'Laetare Ierusalem', 'Verheug u, Jeruzalem.' Die vreugde komt tot uitdrukking in de viering van de liturgie én in de viering van Jezus' zelfgave aan ons.
De innerlijke kern van de sacramenten proeven, is de opgave van iedere liturgische bijeenkomst. Daardoor gaan de liturgische bijeenkomsten ver uit boven alle andere bijeenkomsten. Die vieren iets wat weer voorbijgaat. Hier wordt iets gevierd wat wij zelf nu al zijn, wat wij ons nu bewust maken, wat eens aan ons gebeurd is toen wij werden gedoopt. Toen gebeurde het sacramenteel, nu maken wij ons bewust, dat wij afgedaald zijn in het graf, in het watergraf met Christus en met Hem tot het nieuwe leven zijn opgewekt. Zie maar eens hoe Hij voor ons heeft geleefd. Hij heeft ons echt het nieuwe leven gegeven. Hij stierf, wij leven!

Homilie

"De Mensenzoon moet omhoog geheven worden." Ooit werden legeraanvoerders na een overwinning door hun mannen op het schild omhoog geheven. Meer beschaafde volkeren gingen ertoe over om hun koning omhoog te heffen door hem een troon te laten bestijgen. En zo heeft God zijn Zoon het kruis laten bestijgen, als een troon, vanwaar Hij zijn koningschap, zijn heerschappij uitoefent. Op die wijze werden aan Jezus zelf zijn woorden waar, woorden die menigmaal zijn herhaald: "Wie zich vernedert zal verheven, opgeheven, worden" (Mt 23,12; vgl. Lc 14,11). Dat geldt voor wie zichzelf vernedert, actief, voor wie de vernederingen aanvaardt die hem worden aangedaan.

Door wie werd Jezus vernederd? Door de mensen, door zijn eigen volk, door de heidenen, door de leerlingen, door Judas, door zijn volk tot op de dag van vandaag, door ons. Maar aan die vernederingen werd Jezus uitgeleverd door zijn Vader. "Zozeer immers heeft God de wereld lief gehad", hoorden we zo-even zeggen, "dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven", heeft overgeleverd aan de vernederende kruisdood. De Vader die uit liefde zijn eigen Zoon heeft gegeven. De Vader die zijn eigen Zoon aan de dood uitlevert. Hij heeft bewust zijn eigen Zoon laten sterven, ook als Deze erom smeekt de kelk niet te hoeven drinken (Mt 26,39; Mc 14,36; vgl. Lc 22,42), en daarbij ook nog eens een beroep doet op de almacht van zijn Vader. Hij zou dat toch kunnen verhinderen. "Vader, voor U is alles mogelijk; laat deze kelk aan Mij voorbijgaan" (Mc 14,36). Maar de Vader sluit zijn oren voor de smeekbede van zijn Zoon. De Zoon voelt Zich door zijn Vader in de steek gelaten: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" (Mc 15,34). "Zozeer immers heeft God de wereld lief gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon als een teken van zijn liefde heeft gegeven." Een daad van uiterste liefdeloosheid jegens zijn eigen Zoon als teken van zijn liefde voor ons. Die daad, gesteld door een God die altijd verboden heeft dat ouders hun kinderen ten offer brachten; het werd het offer van gruwel genoemd zulke offerpraktijken, en nu doet de Vader het zelf.

Er was eens een dame die mij op haar oude dag toevertrouwde: 'Sinds ik me dat goed realiseerde, dat de Vader zijn eigen Zoon aan de kruisdood heeft overgeleverd, ben ik opgehouden het Onze Vader te bidden. Ik kon het gewoon niet meer over mijn lippen krijgen. En ik heb mensen gevraagd, priesters gevraagd, hoe je dat moest verstaan, maar niemand kon me uitleggen hoe een Vader tot zulk een wreedheid in staat was. Het is geen liefde, het is de hoogste vorm van liefdeloosheid.' Alles in haar kwam daartegen in opstand. Alles in óns komt daartegen in opstand, als wij moeten zien hoe onschuldigen moeten lijden. Jezus was toch het Lam van God, onschuldig, en dan toch moeten lijden, bewust door de Vader dat lijden aangedaan. Hoe moet je dat nu verklaren?

Als je je het zo voorstelt, dan lijkt het alsof de Vader dat van zijn Zoon heeft geëist tegen wil en dank. Dat Hij moest geven wat de mensheid had geweigerd. Maar zo is het niet! Nee, ondeelbaar heeft de Vader zijn Zoon gegeven, dat blijft, maar ook heeft de Zoon Zichzelf gegeven. En dat is nu net het geheim van de allerheiligste Drievuldigheid; daarvoor hebben wij Vader, Zoon en heilige Geest nodig. Want die liefde van de Vader voor zijn Zoon en van de Zoon voor de Vader, is het geheim van de derde Persoon, van de heilige Geest. De heilige Geest is de liefde tussen de Vader en de Zoon in Persoon, de Persoon geworden liefde.

Wij zijn in dat geheim van de allerheiligste Drievuldigheid opgenomen. Wij zijn kinderen van God; de heilige Geest is in ons hart uitgestort en die roept 'Abba-Vader'. Als kinderen staan wij in dezelfde relatie tot de Vader als de Zoon. Wij zijn erin geschapen! De heilige Geest zweefde toch over de wateren voordat de chaos door Gods scheppende kracht tot kosmos is geworden, en God blies toch Adam zijn eigen adem in de neus, zodat de eerste adem van Adam Gods adem was: de heilige Geest.

Maar ook bij de verlossing speelt de heilige Geest de hoofdrol. Op de eerste dag van de week, de nieuwe scheppingsweek, blies Jezus over zijn nieuwe schepping, - de Kerk, zijn leerlingen, - zijn adem uit, zijn heilige Geest, zodat de heilige Geest ook de adem werd van de Kerk, de ziel van het kerkleven, van óns leven. Elke keer als het verlossingsgebeuren onder ons wordt gereactualiseerd, nieuwe actualiteit krijgt in de heilige eucharistie, dan horen we toch hoe de allerheiligste Drievuldigheid samen de liefdesovergave tot stand brengt. Want bij de consecratie hoort u de priester zeggen: 'Dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt.' Gegeven wordt, door wie? Door Jezus natuurlijk. Dit is mijn Lichaam dat Ik nu voor u geef. Maar zo zegt Jezus het niet, zo wil de Kerk het niet overgeleverd krijgen. Nee, Hij zegt het in het passief: dat voor u gegeven wórdt. En bij het heilig Bloed zegt de priester nog eens: 'Dit is de beker van het nieuwe, altijddurende verbond, dit is mijn Bloed dat voor u en alle mensen wordt vergoten, tot vergeving van de zonde.' Jezus hanteert de passieve vorm van het werkwoord geven en van vergieten, 'gegeven wórden', 'vergoten wórden', om zo die andere Persoon te kunnen opvoeren in het gebeuren, de Persoon van de Vader tegenover wie Jezus helemaal passief is. Het is de Vader die het initiatief neemt in deze overgave in liefde, zodat wij dat kunnen beluisteren in: "Zozeer immers heeft God de wereld lief gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven." Maar Jezus zelf neemt dat initiatief over, of zoals iemand dat ooit in de geest heeft gedacht en gezegd: 'Jezus heeft als de Zoon van de Vader dat verlangen van de Vader in zijn hart gelezen.' Hij is er mee voor de dag gekomen nog vóórdat de Vader het had uitgesproken, zozeer zijn Vader en Zoon één. Zo moet u dat hier zien. Achter de priester staat Jezus en achter Jezus staat de Vader. En het is ook de Vader die u straks zijn Zoon geeft met dezelfde liefde en dus met dezelfde heilige Geest waarmee ook de Zoon Zichzelf aan u geeft.

Dat onschuldigen moeten lijden, dat de onschuldige Jezus moet lijden, en dat dat geheim zich steeds weer herhaalt: onschuldige mensen, onschuldige kinderen, dat is de grootste ergernis van de mensheid. Daar weten zij echt geen raad mee, zoals die mevrouw geen raad wist met de overlevering door de Vader van zijn eigen Zoon in de dood. Maar soms gebeurt het zo in het hart van mensen die in het geheim van de allerheiligste Drievuldigheid zijn opgenomen, dat in hen hetzelfde verlangen opkomt om zelf te willen ondergáán wat anderen hun in boosheid aandoen, om het zo goed te maken en zo hun ziel te redden.
Zo zijn wij allen gered. Dat is wat wij in iedere eucharistie vieren, en dat is ook ons heilig geloof, dat wij straks zullen belijden in het Credo.