4e zondag van de veertigdagentijd (2000)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 201 niet laden
De eerste lezing ging over de Babylonische ballingschap dat het joodse volk over zich afriep door ontrouw te zijn aan de God van het verbond. Wie niet luisteren wil, moet maar voelen. Straf voor de zonde. Dat gegeven kom je in het oude Testament regelmatig tegen, niet alleen wat betreft het volk in zijn geheel maar ook voor de individuele mens.
In de eerste lezing van vorige week over de tien geboden stond er: Wie zich tegen mij verzet, zal ik straffen, hem en ook zijn nakomelingen, tot in de derde en vierde generatie. Dat is niet mis. Dat beeld van die strenge God die meteen met straffen klaarstaat is gelukkig verdwenen, en toch zijn er soms nog restanten van te vinden.
Mensen die getroffen worden door ernstige ziekte, invaliditeit of een ander groot verdriet stellen vaak die vraag: waar heb ik dit aan verdiend? Ergens misschien een begrijpelijke vraag, maar ook een heel frustrerende, want er is niemand die daar een antwoord op geven kan.
Er zijn natuurlijk wel situaties waarbij je zeggen kunt: het is zijn eigen schuld, hij heeft het aan zichzelf te danken, en in die zin kun je dan zeggen: het is straf voor de zonde. Als iemand veel teveel alcohol drinkt en hij krijgt dan een leverkwaal, dan kun je zeggen: het is zijn eigen schuld. En als iemand die suikerziekte heeft zich helemaal niet aan zijn dieet houdt en het gaat dan mis, dan kun je zeggen: hij heeft het aan zichzelf te danken. Dan mag je misschien zeggen: hij straft zichzelf, maar om het te zien als straf van God, dat gaat wat te ver.
Zeker in zijn algemeenheid kun je en mag je nooit zeggen: alle narigheid is straf voor bedreven zonden. Dat is niet waar, en toch wordt er nog wel eens op die manier gedacht. Anderzijds is het niet zo vreemd dat mensen zich afvragen: "Waar heb ik dit aan verdiend? En als niemand een antwoord geeft, is het niet zo vreemd dat zij opkijken naar God en de vraag stellen: "Waarom doe je mij dit aan? En het is niet zo vreemd dat mensen soms terugkijken naar hun voorbije leven of daarin misschien iets gebeurd is dat oorzaak van de narigheid kan zijn. Maar dat kan heel verdrietig en frustrerend zijn. Het is een niet bestaand antwoord zoeken op de verkeerde plek, het is vaak aan God denken als een dreigende en straffende boeman in plaats van een liefdevolle vader.
Bij het zoeken naar een antwoord op die "waarom"vraag werd vroeger ook viel eens gezegd: God beproefd degenen die hij het meest liefheeft, maar in zo'n sadistische vader kan ik niet geloven. Ik vind dat we God daarmee onrecht aandoen. Het is natuurlijk best begrijpelijk dat we een antwoord bij God gaan zoeken. Als we geen antwoord kunnen vinden in onszelf, in onze leefwereld, dan kijken we automatisch naar boven. Toch is het niet eerlijk om bij gebrek aan beter antwoord God dan maar de schuld te geven.
We moeten ons God niet voorstellen als de grote baas in de hemel die alle touwtjes in handen heeft, en die dan nu en dan denkt: die en die zal ik eens een opdonder geven. Dat beeld krijg je soms als je teksten uit het Oude Testament leest. Maar dat is wel een heel verkeerd beeld.
Het is natuurlijk een hele moeilijke materie. Als je gelooft in een almachtige God die alles kan, in een liefdevolle vader, dan zeg je wel: maar waarom laat hij dan al die narigheid toe? En jammer genoeg kan niemand er ons een antwoord op geven.
Toch worden we telkens weer uitgenodigd om in moeilijke dagen naar boven te kijken, niet om een schuldige aan te wijzen maar wel om kracht te putten uit die onbegrijpbare God, niet om duidelijke antwoorden te krijgen op onze vragen, maar wel een stuk houvast om verder te kunnen. Want de God van het oude Testament werd dan wel ervaren als een strenge God, maar ook als een God die altijd weer toekomst schiep. Die boodschap heeft ook Jezus ons meegegeven: Hij was de verpersoonlijking van Gods licht. Daarom: wie in Hem gelooft, wie op Hem vertrouwt, heeft toekomst.