Ze haalden de stadsmuur van Jeruzalem neer (2012)

 

De lessen in de gewijde geschiedenis gaven de indruk dat Israël het enige land ter wereld was.  In feite was het omgeven door grote rijken en werd het meegesleurd in volksverhuizingen, politieke verwikkelingen en militaire veroveringen.  Het land was daarbij zelf getekend door innerlijke spanningen. 

Laten wij even onderdompelen in een brok geschiedenis van Israel.  Het rijk van Salomo werd na diens dood (ca 931 a.c.n.) opgedeeld in twee delen: het Noordrijk en het Zuidrijk.  Het Noordrijk onderging de invallen van Assyrië met koning Salmanassar en later deze van Tiglatpileser.  Het werd aan hem schatplichtig.  Wanneer in 741 Pekach koning werd van Israël, vormde deze met Resin, de koning van Damascus een anti-Assyrische coalitie, waarin hij Achaz, de koning van Juda wou betrekken.  Het viel slecht uit en Tiglatpileser versloeg Pekach.  Een deel van de Israëlitische bevolking werd gedeporteerd.  In 722 werd de hoofdstad Samaria veroverd en werden opnieuw een aantal Israëlieten in ballingschap meegevoerd.  Dit was het definitieve einde van het Noordrijk Israël. 

Ondertussen was het Zuidrijk een vrijwillige vazalstraat van Assyrië geworden.  Koning Hizkia, opvolger van koning Achaz, wou dit van zijn land afschudden en waagde zich zelfs aan gebiedsuitbreiding.  De profeet Jesaja raadde hem eerder een neutraliteitspolitiek aan.  Tegen het advies van de profeet zocht de koning aansluiting bij Egypte.  De Assyrische koning nam dit niet en voerde strijd tegen Juda, dat daardoor gebied moest inleveren.  Juda moest tientallen jaren lang aanvaarden vazal te blijven van Assyrië.

Maar ook Assyrië bleef niet oppermachtig.  Het werd voorbijgestreefd door de macht van Babylonië.  In die cruciale periode begon de profeet Jeremia zijn optreden.  Dit wordt in het jaar 626 gesitueerd.  We zijn ten tijde van de jonge koning Josia in de jaren 640 – 609 voor Christus.  Deze zorgde voor een religieuze herleving in Juda.  De cultus werd uitgezuiverd van vreemde cultussymbolen.

Politiek had Egypte ondertussen meer invloed gekregen over Juda en wou er de lakens uitdelen.  De Egyptische farao bepaalde wie in Juda koning zou worden.  Hij stelde in Juda Jojakim aan tot koning, die elf jaar als vazal van Egypte regeerde (609-598).  Het Assyrische rijk verschraalde meer en meer en Egypte en Babylonië stonden met getrokken zwaard tegenover elkaar.  In 605 behaalde het Babylonische leger van koning Nebukadnessar een grote overwinning op Egypte.  Juda werd vazal van Babel.  De koning Jojakim verzette zich daartegen.  De profeet waarschuwde voor een nakende verwoesting van Juda door Babylon.  In 598 belegerde Nebukadnessar Jeruzalem.  De opvolger van Jojakim, zijn zoon Jechonja, werd samen met de bovenste laag van de Judese maatschappij naar Babylonië in ballingschap gevoerd.  Nebukadnessar stelde in Jeruzalem Sedekia als nieuw koning aan, maar deze had weinig invloed.  In het land groeide een anti-Babylonische tendens en er werd onderhandeld met Edom, Ammon, Moab en Fenicië.  Jeremia deelt die anti-Babylonische gevoelens niet.  Volgens hem zou de ballingschap niet spoedig eindigen.  Hij gaf aan de ballingen de raad in Babel huizen te bouwen en rekening te houden met een lang verblijf aldaar (Jer. 29, 5-7.1.-11). 

Na een opstand in Juda in 589 begon Nebukadnessar aan een nieuw beleg van Jeruzalem.  In 587 of 586 werd heel Jeruzalem – de tempel incluis – verwoest en de muren gesloopt.  823 mensen werden uit Jeruzalem naar Babel verbannen.  Alleen de armste mochten in de stad blijven wonen (Jer. 52,29).  Er kwam daarmee voor vier eeuwen tot aan de Makkabeeënopstand in 167 v. C. een eind aan de politieke zelfstandigheid van Juda.  Het was gedaan met de dynastie van David.  Het invloedrijkste deel van de bevolking was gedeporteerd. (Hans Ausloos, Jeremia, de profeet en het boek in Jeremia, profeet tussen hoop en wanhoop).
 
Maar ook Babel is niet eeuwigdurend.  De Meden en de Perzen traden ten tonele en verdrongen de macht van Babel.  In 539 veroverde Cyrus Babylonië.  Hij voerde een andere godsdienstpolitiek, waardoor de Joden konden terugkeren.

In de boeken 1 en 2 Kronieken reflecteert de geschiedschrijver volgens zijn eigen wijze op de geschiedenis van Israël.  Hij begint bij Adam en beëindigt zijn overzicht met het edict van Cyrus over de terugkeer van de Joden.  De schrijvers van dit dubbelboek, behorend tot de priestergroep, leggen een sterk theologisch accent in hun geschiedschrijving.  Ze is zeer gekleurd en vooral theologisch geïnterpreteerd.  God bedient zich van de volkeren om Israël te zuiveren.  Het volk moet uit zijn geschiedenis leren dat het zich meer op God moet richten en hem trouw dienen in de heropgebouwde tempel.  Het slot van het boek Kronieken vat het nog eens samen: God blijft getrouw aan zijn woord, zowel wanneer hij het volk straft als wanneer het zijn barmhartigheid toont.  In wel en wee gaat de Schrift in vervulling.  Houd u er aan vast.

Ballingschap heeft lang geduurd.  Zeventig jaar.  Die ervaring heeft de Joodse godsdienst sterk beïnvloed en heeft bijgedragen tot een verinnerlijking.  Waar is je troost en sterkte, als alles waar je meende te mogen op steunen weg is: geen koning meer, geen tempel, geen eigen huis en land ?  Maar in het vermorzeld hart groeit een nieuw vertrouwen.
Herhaaldelijk zijn volkeren gedeporteerd.  Na de tweede wereldoorlog kreeg Rusland een deel van Polen en nam Polen een deel van Duitsland in en kwamen mensen uit Schlesien in Duitsland.  Het communisme heerste in de Sovjetunie van 1917 tot bij de val van de muur in 1989.  Het toen gewekte optimisme heeft niet te lang geduurd. 
 

De benaming Babylonische gevangenisschap is gebruikt om de lange tijd aan te duiden, waarin de pausen weg waren uit Rome (1309-1377) en ze heel afhankelijk waren van de Franse koning.  Het heeft tussen 1378 en 1417 geleid tot een Westers schisma met een paus in Rome en een paus in Avignon.  Op een bepaald tijd waren er zelfs drie pausen.  In zijn strijd met Rome schreef Maarten Luther zijn boek De captivitate Babylonica (Van de Babylonische gevangenschap der kerk).  Hij bestempelde de kerk met een schimpwoord uit de Apocalyps als de hoer van Babylon (Op. 17,5).

Exodus en ballingschap zijn bijbelse begrippen.  Het eerste klinkt hoopvoller dan het tweede.  Exodus betekent uittocht en geeft zicht op het beloofde land.  Ballingschap, hoe lang duurt ze?  Zal ze ooit eindigen?  De profeten spraken van een nieuwe uittocht, die de ballingschap zou beëindigen.  
 

De kerk is in ballingschap zolang de wereld duurt.  Wij voelen het in deze tijd heel sterk aan.  Christenen die vervolgd worden in India, Egypte, Irak.  Christenen die niet meetellen of verzwegen worden.  Was het louter een vergetelheid dat een kalender van de Europese Gemeenschap voor de scholen allerlei feesten aanhaalt, maar kerstdag niet vermeldt?

In tijden van ballingschap moeten we geen beschuldigende vinger uitsteken naar anderen, maar kijken waarin we zelf faalden.  “Trouw aan onze roeping”, dit was het thema van de eerste herderlijke brief van Mgr. De Kesel, bisschop van Brugge:
 

De Kerk maakt vandaag moeilijke tijden door.  We worden geconfronteerd met schandalen waarvan we in het verleden wellicht onvoldoende beseft hebben hoeveel leed ze veroorzaken.  Het vertrouwen is diep geschokt.  Er is het verdriet en de pijn.  Er is ook de schaamte.  Zo een probleem los je natuurlijk niet zomaar op.  Daarvoor bestaan geen strategieën.  We zullen elkaar de hand moeten reiken en meer dan ooit elkaar helpen en steunen om te beantwoorden aan wat Jezus nu van ons verwacht.  Wat gebeurd is, moet ons in elk geval bescheidener maken. We hoeven ons niet boven de anderen te verheffen. We zijn allen mensen, broze wezens, arme zondaars.

 Toch dienen we juist in dit uur, meer dan ooit, trouw te zijn aan onze roeping. We zijn christenen, volgelingen van Jezus.  We hebben het Goede Nieuws vernomen dat God naar ons toegekomen is, dat Hij ons zijn Zoon gegeven heeft om ons bestaan te delen.  Eén van ons is Hij geworden, een mens als wij. Zozeer heeft God ons liefgehad.  Daar klopt het hart van ons geloof: weten dat we door God gekend, aanvaard en bemind zijn.

 Dat is het evangelie dat we hebben ontvangen.  Het is de kostbare parel, de verborgen schat in de akker.  Van dat evangelie willen we getuigen en leven, met vallen en opstaan.  Openstaan voor Gods liefde, ze met heel ons leven beantwoorden, en elkaar liefhebben zoals Hij ons heeft liefgehad.  Korter kan de inhoud van het evangelie niet verwoord worden, in al zijn eenvoud en radicaliteit.

 We hebben als Kerk in onze streken een rijk verleden achter de rug.  Tot voor kort was de samenleving bij ons hier voor een groot deel bepaald door het christelijk geloof. Het was bijna vanzelfsprekend dat men christen was  Dat is niet meer zo.  We leven meer en meer in een samenleving waar christen zijn een keuze is.  Velen van onze tijdgenoten maken die keuze, maar lang niet meer iedereen.  Dat maakt de situatie van de Kerk minder comfortabel.  Maar wel boeiend.  Geloof wordt minder en minder iets vanzelfsprekend en meer en meer een persoonlijk engagement.  Wie vandaag christen wil zijn of het wil blijven, zal er iets voor moeten doen. 

 De Kerk maakt vandaag diepgaande veranderingen mee.  We leren heel wat loslaten.  We zullen onze aandacht meer en meer moeten richten op datgene waar het echt op aankomt: zoeken naar God, verbonden blijven met Christus, die bij ons is in zijn Woord en Sacrament, en elkaar helpen ontdekken wat het evangelie concreet betekent, in ons persoonlijk leven en ook in de samenleving.  In dienst van dat evangelie wil ik naar best vermogen en met Gods genade uw herder zijn.  Voor u ben ik voortaan de bisschop. Maar met u ben ik allereerst zelf een christen, een leerling van Jezus.  Het is deze opdracht die we alleen in samen gedragen verantwoordelijkheid kunnen volbrengen” (Jozef De Kesel, Bisschop van Brugge; sept. 2010).