Derde zondag van de vasten (2006)

Beste dorpsgenoten,

Ook al kent u de tien geboden niet meer precies uit uw hoofd zoals in de tijd van de kleine en de grote katechismus, u zult ze zeker teruggekend hebben in de tekst van de eerste lezing uit Exodus.

God begint zijn katechismus met het joodse volk er aan te herinneren dat zij slaven geweest waren in Egypte en dat God hen uit die slavernij bevrijd heeft.

En dan zegt Hij dat ze zich niet aan andere goden moeten onderwerpen want die worden hen dan de baas en dan zij ze opnieuw slaven juist als in Egypte.

Dat geldt tegenwoordig toch niet meer, zouden we zeggen. We geloven in de ene ware God, in Jezus Christus, of in niets, of we geloven toch wel in Iets, zoals dat heet. Afgoden, met hun eigen tempels, priesters en gelovigen en geboden, waar komt dat nu nog voor? De mensen weten nu toch wel beter.

Kinderen in groep 7 en 8 van onze basisschool zeiden me eens dat ze jaloers op me waren. En ze legden het uit: toen ik zo oud was als zij, kon ik na school buiten gaan spelen, met vriendjes het bos in gaan en dat soort dingen. "Wij kunnen dat niet meer." En toen kwam de uitleg: wij hebben spannende TV programma's die we niet willen missen of computerspelletjes waar we graag mee bezig zijn. "En daarom kunnen we niet meer de dingen doen die u vroeger deed toen u zo oud was als wij."

"Maar jullie kunnen na school toch buiten gaan spelen, met de hond in het bos gaan wandelen en zo." Nee dat konden zij niet meer. En na wat zoeken naar het antwoord, kwam het woord er uit: "Wij zijn verslaafd aan TV programma's en computerspelletjes."

En daarmee hadden zij hun afgod genoemd. Hoeveel meer afgoden zou ieder van ons kunnen noemen als we kijken naar dingen die ons de baas zijn, waar ons hart naar uitgaat, waar we het liefst mee bezig bent of die ons veel geld kosten? En meestal dienen we die afgoden zonder te merken dat we hun slaaf zijn.

Ik wil maar zeggen: wat de bijbel God laat zeggen, zo'n 1200 vóór Chr., kennen we nog terug: afgoden die slaven van ons maken bestaan nog altijd.

Die afgoden dwingen ons wel niet meer om allerlei gekke dingen te doen zoals dieren dood te maken als offer, grote tempels bouwen, enz. Schijnbaar dwingt niets of niemand ons. Ongemerkt houden die afgoden ons wel zo intensief bezig - druk, druk, druk, - dat we er maar zelden meer toe komen ons af te vragen waar het nu eigenlijk om gaat. Bij een begrafenis wil dat nog heel even lukken maar bij de koffietafel zijn we alweer met heel andere dingen bezig.

Niet alleen die ene, echte God die doorschemert in alles dat op aarde en onder de mensen goed, mooi, sterk en gerechtig is, ontdekken we bijna niet meer, ook kleine dingen verliezen we uit het ogen: proeven dat een kop koffie, een glas bier of een stuk vla heerlijk smaakt, blij zijn om iets dat een ander zegt of doet, genieten van het feit dat je nog goed kunt lopen en gezond in elkaar steekt. En zoveel meer.

In de eerste lezing hebben we gehoord: "Op de zevende dag heeft God gerust en zo de sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt."

In het boek der schepping staat daar iets meer over: Op de zevende dag rustte God en hij zag dat het goed was wat hij gemaakt had. En zo voltooide hij de schepping.

De schepping ,- en zou dat niet gelden voor het werk dat wij doen? - kwam niet af door nog wat meer te doen maar juist door te rusten, niets te doen en te genieten van wat er gedaan was.

De tijd nemen om even blij te zijn om iets, dankbaar, verrast, dat maakt alles af, dat maakt alles mooier. Dat geldt voor ons werk. Voor onze relaties. Als we daarentegen alles vanzelfsprekend vinden, dan zijn we slaaf van een of andere afgod. Dan zijn we onvrij en wie wil er in onze dagen nog onvrij zijn?

Corruptie, geweld, eigen profijt, lees of kijk naar het nieuws, en we zien overal voorbeelden van afgoderij en slavernij.

De slachtoffers, en ook de plegers van al dat onrecht, zijn slaven van een wrede afgod.

Een afgod is een idool, een beroemdheid, die van me eist: "Bewonder me, aanbid me, geef toe dat je me niet kunt missen."

De Oosterse kerk kent iconen, beelden van God, vaak heel oud en eerbiedwaardig. Die kijken me aan, kijken door me heen en zeggen heel iets anders: "Je mag er zijn, wat ben ik blij dat je er bent. Ik sta helemaal aan jouw kant"

De afbeelding met de twee handen die de aardbol vasthouden is ook zo'n icoon. Je voelt je vastgehouden en toch ben je helemaal vrij. Amen