Geld en geloof (2006)

Op plaatsen waar godsdienst beleefd wordt, treffen wij ook handel aan. Bij de vele bedevaartsplaatsen, ongeacht van welke godsdienst, horen winkels waar allerlei religieuze en niet religieuze artikelen verkocht worden. Ook al weet je dat er veel aan wordt verdiend, toch neem je bij de gedachte dat je iets mee wilt nemen voor het thuisfront de rest voor lief. Echte opdringerigheid wordt als hinderlijk ervaren en past niet binnen de godsdienstbeleving aldaar. Waar godsdienst een middel wordt om extra inkomsten te verwerven  wordt geld en geloof op één hoop gegooid. 
Jezus zag dat vele mensen naar de tempel in Jeruzalem gingen om daar God te dienen door het deelnemen aan het gebed en het brengen van offers. De verering van de ene God maakte deel uit van het Joodse bestaan. Wanneer zij hiervan afweken voelden zij hoe de hand van God zich terugtrok. Schaamteloos was het gedrag van de verkopers in de tempel. Om dingen te kunnen kopen kon je geen gewoon geld gebruiken, maar moesten de geldwisselaars je munten geven, waarmee je terecht kon in de tempel. Daar was een levendige handel van vee, klein en groot, dat gekocht kon worden om als offer op te dragen. Dit alles vertroebelde het godsdienstig gebeuren. De tempel was geen plaats van  godsdienst, maar van hebzucht en handel. Daarom dreef Jezus de geldwisselaars en kooplui de tempel uit. Hij sprak velen aan, maar riep ook bij belanghebbenden weerstand op. De uitdrukking"ik breek deze tempel weer af en zal hem in drie dagen herbouwen" maakte een aantal mensen razend. 
De gedachte op weg naar Pasen is: alles wat de weg naar God verspert bant Jezus uit. Maar wat de weg naar God openlegt, wordt door Hem tot stand gebracht. Door de verrijzenis ontstaat een nieuwe tempel, gebouwd met levende stenen: mensen van geloof, liefde en vertrouwen. Wij zijn ook van die stenen door ons doopsel en maken deel uit van het Lichaam van de Heer. Werkelijkheid en toekomstverwachting lopen door elkaar. De veertigdagentijd helpt ons om daarin te groeien.