eredienst = mensendienst (2009)

Wie dacht dat Jezus altijd een sereen en gelijkmatig man was, zo iemand die niet van z'n stuk te brengen is, krijgt vandaag een heel andere kant van Hem te zien. Jezus is boos, en niet zo'n beetje ook. Hij gaat tekeer, Hij is woedend. Op de heiligste plaats van het joodse geloof en leven, de tempel van Jeruzalem, veegt Hij met geweld en geschreeuw het plein schoon van handelaren en geldwisselaars.
Nou nou, denk je als je dit leest of hoort, kan 't niet een beetje minder, een beetje anders? Van dit soort woede schrikken we snel. Het is "not done" je zo te laten gaan tegenover anderen. Toch is woede niet alleen maar negatief te duiden. Het zegt ook dat je diep geraakt bent. Als je je goed kwaad kunt maken over iets, wordt ook duidelijk waar je hartstocht ligt. We zien en horen het niet graag, maar in deze zin kun je beter van doen hebben met boze mensen dan met degenen die geen emoties tonen en schijnbaar nergens koud of warm van worden. Want van hen weet je niet waar ze staan en een wezenlijk gesprek wordt ook moeilijk.
Jezus' woede is een heilige verontwaardiging over hoe de eredienst in de tempel misbruikt wordt voor het gewin van enkelen ten koste van gewone gelovigen.

De tempel van Jeruzalem was voor de joden hét centrale heiligdom; hier worden in de Ark van het Verbond de stenen tafelen met de tien woorden bewaard die het volk via Mozes van de Eeuwige ontvangen heeft. Hier klopt het hart van het verbond tussen God en zijn volk. Hier moet gevierd, geleerd, geleefd worden dat de Levende een God van bevrijding is: "Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij heeft bevrijd"(Ex. 20,1-2).
De inzet van het verbond tussen God en zijn volk was van slaven vrije mensen te maken. Hij zette zijn volk op weg naar een nieuwe toekomst, naar het beloofde land - een land van melk en honing, een land van vrede en gerechtigheid. De onderdrukten worden bevrijd, de kleinen groot gemaakt. En om zijn mensen de richting te wijzen naar die toekomst vol belofte geeft Hij hen tien woorden mee. Het zijn paaltjes langs de weg die ons helpen de weg mét en ván God te gaan. Zoals een automobilist in het donker op de weg zich laat leiden door reflecterende paaltjes langs en strepen op de weg, zo zal het goed leven zijn hier in onze wereld met elkaar en met God als we die tien woorden werkelijk ter harte nemen.
Maar in de loop der tijd verwerden de tien woorden tot tien geboden. Door wetgeleerden werd er van alles bijgemaakt: allerlei interpretaties, voorschriften en regeltjes. Zo raakten oorspronkelijke leefregels versteend, dat wil zeggen: zonder hart, zonder bezieling -dode wetten. Veel ouderen herinneren zich dat nog wel van de godsdienstles en de katechismus waarin het dwingende karakter van de tien geboden werd benadrukt: Gij zult niet... Het was bijna: niets mag, en wat mag, moet. Met op de achtergrond het beeld van God als een soort boekhouder die van iedereen een lijstje met overtredingen bijhoudt.
Een klein voorbeeld: Eer uw vader en uw moeder. Het woord "eren" werd in de traditie al snel ingevuld als gehoorzamen. En dat gehoorzamen werd dan tot het uiterste doorgevoerd: te allen tijd móest en zóu je allereerst gehoorzaamheid betonen aan je ouders -zelfs als jou als kind onrecht werd aangedaan. Hoeveel mensen zijn hierdoor in hun jeugd voor altijd beschadigd geraakt? Het is kadaverdiscipline; het maakt onvrij in plaats van vrij. "Eer je vader en je moeder", wil eigenlijk zeggen: vergeet niet van wie je het leven hebt gekregen. Je ouders geven het aan je door, want zij ontvingen je uit Gods hand. Zij maken dat je in een lijn van familie en traditie staat. Zij zijn ook de allereersten die je iets kunnen leren over Gods bevrijdende daden, want zij geven je Gods woord door, dat zij op hun beurt van hun ouders ontvingen.

Zoals de tien woorden tot ge- en verboden, tot dode wetten werden zo raakte op andere terreinen het geloof van Gods volk ook versteend, zoals die tempel van Jeruzalem laat zien. Toen koning David die tempel wilde bouwen had de profeet Natan al grote bedenkingen. God wil immers onder mensen wonen, God trekt met hen mee. Je kunt Hem niet vastleggen of opsluiten in een gebouw. Een gebouw beweegt niet, is niet flexibel. Mensen maken er hun eigen koninkrijkje van en daarmee timmeren ze God ook als het ware dicht - maken hun eigen beeld van hem.
We mogen dat ter harte nemen, ook in onze tijd, wanneer we praten over de instandhouding of toekomst van onze kerkgebouwen. Zijn zij een middel om onze geloofspraxis te ondersteunen of zijn zij een doel op zich geworden? Op de begroting van veel parochies staan de kosten van het gebouw niet meer in verhouding tot de kosten van het pastoraat zelf. Dat mag toch te denken geven over waar de prioriteiten van de gemeenschap liggen.

De tempel in Jeruzalem was een monument van versteende vroomheid geworden. Wat zich rondom die tempel afspeelde, had niets meer te maken met de essentie van het verbond; het was een levenloze cultus vol uiterlijk vertoon geworden waarin wetgeleerden en priesters de dienst uit maakten. Rondom de eredienst was een levendige handel ontstaan in offerdieren die de gelovigen ter plekke konden aanschaffen om God eer te bewijzen. Deze dieren konden niet met Romeins geld gekocht worden - heidense munten met afbeelding van de keizer mochten de tempel niet in. Geldwisselaars waren nodig om Romeinse munten te wisselen voor joods geld, en zij deden daar goede zaken mee. Er werden woekerwinsten gemaakt.
Jezus' woedende optreden op het tempelplein was een profetisch protest tegen deze praktijken die Gods naam misbruiken om gewone mensen uit te buiten en klein te maken. Het gaat er niet om dat je in de eredienst vooral alles volgens de juiste regeltjes doet; God wil niet onze offers, maar vraagt naar ons hart. Met welk hart, met welk intentie vier je? Wat stelt het voor als je hier op zondag brood deelt met elkaar, maar doordeweeks niet durft delen van wat je hebt aan geld en goed? Wat stelt je inzet voor een prachtig onderhouden kerkgebouw voor als je buiten deze deuren anderen steeds de maat neemt en veroordeelt om hun doen en laten?

De tempel die Jezus op het oog heeft is Hij zelf als vleesgeworden woord van God. In zijn voetspoor worden wij allen uitgedaagd levende bouwstenen te zijn van een gemeenschap van mensen die samen wereld en mensen van dienst willen zijn. Ware eredienst is geen zaak van monumentale gebouwen of vieren volgens regeltjes. Eredienst is een zaak van hoofd en hart en handen. Eredienst aan God vindt plaats daar waar mensen in de geest van de tien woorden zorg dragen voor elkaars geluk. Als je er samen de schouders onder zet en zorgt dat er recht wordt gedaan aan mensen; als woorden van bevrijding met daden van barmhartigheid hand in hand gaan dan bouwen we samen aan een plaats waar God wonen kan "een plaats waar recht wordt gedaan aan de verworpenen der aarde"-zoals dat lied van Oosterhuis zingt. Een wereld omgekeerd, een rechtvaardige samenleving, in vrede met God en met elkaar.
Moge het meer en meer zo worden onder ons. Amen.