De Veertigdagentijd is de tijd om onderweg naar Pasen, het feest van het nieuwe en volle leven, zicht te krijgen op waar het in het leven met God en met elkaar om gaat ... of om zou moeten gaan, want onderweg door het leven raken we soms de weg kwijt of verliezen die helemaal uit het oog. Daarom is het een tijd van genade, om ons te bekeren van onze zondigheid, zeggen we dan, maar de echte uitdaging voor de meesten is niet om van slechte mensen goede mensen te worden, als wel om in onze huidige situatie bétere mensen te worden. Op die weg hebben we in onze traditie van joden en christenen uit Gods hand geboden gekregen, maar in de loop van de geschiedenis is de betekenis daarvan in het leven van concrete mensen heel vaak ook geworden tot een last, die mensen zich schuldig liet voelen en als tekortschietend, eerder dan als een richtingwijzer naar een goed en zinvol leven voor onszelf en elkaar. Op vergelijkbare wijze is de tempel van Jeruzalem, bedoeld als een ontmoetingsplek van God en zijn volk,een plaats geworden die bij Jezus alleen een woede-uitbarsting oproept. Kortom, de opdracht voor ons vandaag is of wij de oorspronkelijke betekenis kunnen opdiepen en ontdekken hoe die vruchtbaar kan zijn voor ons leven, onderweg naar Pasen.
We horen in het Johannesevangelie de eerste van de drie keer dat Jezus zijn opgang naar Jeruzalem maakt. Johannes heeft zelfs zijn evangelie zo in drieën ingedeeld (1, 1 - 3, 21 / 3, 22 - 5, 46 / 6, 1 - 21, 25). Vele Joden maakten in die tijd drie keer per jaar een pelgrimstocht naar de tempel: voor Pesach (Pasen), voor het Wekenfeest (Pinksteren) en voor het Loofhuttenfeest. Vele van de Psalmen danken wij aan die tochten: pelgrimsliederen die onderweg werden gezongen.
Het volk van Israël is van oorsprong een agrarisch volk. Dus als ze een offer aan God wilden brengen, namen ze een dier uit hun eigen kudde als offerdier. Het volk offerde dus (van) zichzelf, voelt dit in het eigen vlees. Om de link te leggen naar onze tijd voor Pasen: de Vastenaktie is bedoeld als een daadwerkelijk teken van verbondenheid, tot in het vlees, ook al is het met mensen aan de andere kant van de wereld. Niet: ik schrijf wel even een girootje uit om me dan niet zo rot te hoeven voelen over alle ellende. Bij Jezus is het nog letterlijker waar dat hijzelf in zijn eigen vlees als Paaslam geofferd zal worden.
Later, na de Uittocht uit Egypte waarover we in de eerste lezing hoorden in het boek Exodus, kwam het volk in het land van belofte. Daar leefde men van de opbrengst van het land, en offerde daarvoor met Pasen. Nog later, na de stichting van steden, van Jeruzalem en de bouw van de tempel, gebeurde dat daar. Omdat offerdieren uit de eigen kudde dan niet meer zomaar voorhanden zijn, komen er voorzieningen in de voorhof (!) van de tempel, duiven voor de armen, vee voor de rijken, natuurlijk niet in de tempel zelf, maar op het plein voor de tempel. Hiervoor wordt niet betaald met het 'vuile' Romeinse geld met de afbeelding van de keizer, maar met speciaal tempelgeld, dat bij geldwisselaars op het plein kan worden geruild, mensen die zo hun brood verdienen, en dienstbaar zijn. Op zich is het dus heel logisch en legitiem dat Jezus al deze voorzieningen 'in de tempel' vindt. Waar hij zich aan stoort, is dat hij die zo volledig verbonden met zijn Vader leeft, één met Hem is, hier merkt dat er allerlei lagen geschoven zijn tussen God en zijn volk.
Om het met onszelf te vergelijken: het is niet slecht om in de kerk een Wereldwinkel te hebben, of producten in te zamelen voor de Voedselbank, integendeel, maar we schieten ons doel voorbij als we op zondag alleen daarvoor naar de kerk komen, en het niet meer kunnen herkennen en beleven als het huis van zijn Vader, van wie hij ons leert dat wij ook mogen zeggen: ónze Vader. Dit 'huis van de Vader' mag hier een plek zijn, waar we in de stilte, in het bidden en zingen en in het vieren van de gemeenschap God ontmoeten.
De leerlingen van Jezus moeten denken aan: "De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd." (opgegeten) (Psalm 69, 10). Interessant dat dit Psalmvers hier wordt veranderd in: "De hartstocht voor uw huis zál mij verteren." Alsof Johannes ons hier al wil vertellen hoe Jezus& tegenstanders hem dit kwalijk zullen nemen, en mede aanleiding laten worden voor de groeiende vijandschap en zijn uiteindelijke dood. Anders gezegd, alsof Johannes ons bij het luisteren naar zijn evangelie nu al in hoofdstuk 2 bij zijn eerste opgang naar de tempel in Jeruzalem, al vooruit wil laten kijken naar zijn definitieve opgang.
Na zijn opgang naar het huis van zijn Vader, na zijn opgang naar het kruis en zijn opstanding uit de dood, geloven zijn leerlingen de Schrift én alles wat Jezus gezegd heeft: zijn woorddaden blijken een betrouwbare uitleg van de Schriften.
Deze Jezus weet wat er in de mens omgaat, wat de mens afbreekt en opbouwt, leeft uit verbondenheid met God zijn Vader, die geen ander is dan de bevrijder van zijn volk Israël. Die bevrijdende God heeft onderweg in de woestijn zijn volk richtlijnen gegeven.
De Tien Woorden, kern van heel de Tora, van het bevrijdende Verbond tussen God en zijn volk Israël, worden in de ark meegedragen, en gaan alle tien over God én over de mens. Deze richtlijnen zijn gegeven om van een verzameling onderdrukte individuen te leren een volk te worden: Gods volk dat mag leven in het land van de belofte. Ze geven aan wie God is: geen tiran die de plaats van Farao inneemt, maar hun bevrijder. Ze geven evenzeer voor de mens aan wat de grens is tussen menselijkheid en onmenselijkheid. Het zijn geen starre regeltjes om jezelf of een ander de maat te nemen, maar leefregels die - in eerste instantie in de crisissituatie van de woestijn, op de grens van dood en leven, onderweg van het slavenhuis van Egypte naar het land van de belofte - het volk moeten helpen om voortaan blijvend te kunnen leven in vrijheid én verantwoordelijkheid voor elkaar en heel het volk. Buiten deze grenzen heerst - zeker in de eerste context van de woestijn - onmenselijkheid en zelfs letterlijk de dood. Van iemand stelen, nota bene van een volksgenoot, staat in de woestijn waar mensen op elkaar zijn aangewezen, gelijk aan de ander vermoorden. Dat is wat anders dan kinderen die moeten biechten, vragen of ze misschien uit de suikerpot hebben gesnoept. Binnen de grenzen van deze regels blijft er een hele wereld aan mogelijkheden, ruimte om samen mens te worden, samen een menselijke samenleving op te bouwen, ook nu nog, een plek waar het goed leven is, waar God koning is en zijn koninkrijk gestalte krijgt, waar het land van de belofte werkelijkheid wordt.
Dat wie een ander vermoordt, daarmee onmenselijk handelt, is ieder mens in het hart gegrift. Dat is die grens van (on)menselijkheid. Tegelijkertijd kunnen we dit gebod ook positief invullen, en biedt het ieder van ons de uitdagende mogelijkheid om onszelf en elkaar tot leven te brengen. Om dit principe als voorbeeld op een van de andere geboden toe te passen: Er staat geschreven: Leg over een ander geen vals getuigenis af. Dat is in de loop der geschiedenis verworden tot: je mag niet jokken, zelfs geen leugentje om bestwil. Misschien kunnen wij deze Veertigdagentijd benutten om de oorspronkelijke betekenis van laster bij onszelf toe te laten en er een nieuwe, positieve invulling aan te geven door ons tot Pasen te oefenen om letterlijk geen kwaad over een ander te spreken, maar alleen het goede over een ander door te vertellen.
Aan ons de uitdaging om niets tussen God en onze naaste en onszelf in te laten staan, en aan deze geboden een positieve invulling te geven in onze opgang naar Pasen, het feest van het nieuwe, volle leven.