Vasten (B)

‘Zelfverklaarde zoon van God schopt herrie in de tempel van Jeruzalem!!!’

Zusters en broeders, ik zie die vlammende titel in de sensatiepers van Jeruzalem zó voor mijn ogen.  Ik weet het, er was ten tijde van Jezus nog geen sensatiepers in Jeruzalem. Er was trouwens nog helemaal geen pers, maar dat wil niet zeggen dat er geen berichtgeving was, en dat de mondelinge sensatie moest onderdoen voor de sensatiepers van vandaag. Je mag er dus zeker van zijn dat het bericht over Jezus’ tussenkomst zich met de nodige commentaar als een lopend vuurtje in Jeruzalem verspreid had. Want stel je de situatie voor: een zo goed als onbekende man uit het verre Galilea geeft zich uit als profeet, en treedt in de belangrijkste tempel van het jodendom op alsof hij het daar voor het zeggen heeft. Niet de hogepriester, niet de tempelbedienden, niet de schriftgeleerden met naam en faam, maar hij. En het is ook niet minnetjes wat hij doet: met een zelfgemaakte gesel jaagt hij handelaars, offerdieren en geldwisselaars uit de tempel, en hij zegt: ‘Maak van het huis van mijn Vader geen markthal.’ ‘Het huis van mijn Vader’, zegt hij, dus beschouwt hij zichzelf als de Zoon van God. En om het helemaal erg te maken, beweert hij dat, mochten ze de tempel afbreken, hij hem in drie dagen weer zou opbouwen.

De geschoktheid, de verontwaardiging, de woede van veel mensen is dus best te begrijpen. Want stel je de situatie vandaag in onze eigen kerk voor. Een vreemdeling komt hier tijdens de viering binnen, breekt letterlijk en figuurlijk alles af wat hier te zien is en wat hier gebeurt, beweert dat hij de zoon van God is en zegt dat we de kerk gerust mogen afbreken: hij zal ze in drie dagen wel heropbouwen. Ik denk dat we allen hetzelfde zouden doen, en dat is de spoeddienst van een krankzinnigengesticht bellen. En meer dan waarschijnlijk ook de politie. En ik ben er zeker van dat de sensatiepers en de sensatie-tv er met veel plezier van alles zouden over vertellen.

Natuurlijk hoort Jezus niet thuis in de sensatiepers en nog minder in een gesticht, maar het is wel begrijpelijk dat niet iedereen zijn woorden altijd goed begreep en zijn daden altijd bewonderde. In het evangelie van vandaag horen we wel dat ‘velen in zijn Naam begonnen te geloven bij het zien van de tekenen die Hij deed.’ Maar de evangelist voegt daar wel aan toe dat ‘Jezus van zijn kant geen vertrouwen had in hen omdat Hij hen allen kende.’ En Hij kent hen allen omdat Hij de mens kent. De mens met zijn goede, maar ook met zijn minder goede, en dikwijls ook zijn slechte kanten. De mens die het dikwijls niet zo nauw neemt met de tien geboden die God de Heer hem meegegeven heeft, zoals we in de eerste lezing hoorden. De geboden waarin maar één woord centraal staat, en dat is liefde. ‘Bovenal bemin één God, en hou van je naaste zoals je van jezelf houdt’, vat Jezus de tien geboden later in één gebod samen. En dan zitten we meteen in de zwakke plek van ons mens-zijn, want we houden niet altijd bovenal van God, zelfs niet altijd van onszelf, en nog minder van onze naaste. We hebben allerlei gebreken die ons mens-zijn niet bevorderen, want soms doen we dingen die helemaal niet goed zijn voor onszelf. Om nog maar te zwijgen over onze houding tegenover onze naaste, want dikwijls is ons enige oordeel dat die maar voor zichzelf moet zorgen.

‘Maak van het huis van mijn Vader geen markthal’, brengt Jezus daartegen in. En het huis van zijn Vader is niet enkel de kerk, maar is heel zijn schepping, en dat is de wereld waarin we leven. En wat maken wij van die wereld? Maken wij er echt een huis van onze Vader in de hemel van, een huis van liefde en vrede, waar plaats is voor iedereen? Of maken we er een puinhoop van, omdat we veel meer van onszelf houden dan van God, en omdat we ons veel meer inzetten voor ons eigenbelang, onze eigen rijkdom en ons eigen plezier dan voor het welzijn van de aarde en van onze medemensen?

Zusters en broeders, het trefwoord op het menu van deze 3e zondag van  de veertigdagentijd is ‘evenwicht’. Brengen we iets terecht van het evenwicht tussen God bovenal, onszelf en onze medemensen? Nemen we op zijn minst deel aan de activiteiten van Broederlijk Delen om de honger de wereld uit te helpen? Delen we dus echt broederlijk, en proberen we van het huis van onze Vader in de hemel en van heel zijn schepping een huis te maken waar plaats is voor iedereen? Laten we ons daarvoor inzetten, en laten we er ook voor bidden dat we dat zouden doen. Amen.