Met een zweep in de hand

 

De vastentijd, “dit is een tijd van meer toeleg op het bidden, van grotere aandacht voor de liefde tot de naaste, en tijd van grotere trouw aan de sacramenten waarin we zijn herboren” (Vastenprefatie).

De tien geboden

We krijgen een wegenkaart aangeboden om ons te oriënteren of te heroriënteren Het is een kaart met paden, wegen en straten, waarlangs mensen sinds eeuwen zijn gegaan. Daarop staan eveneens doodlopende straten naast wegen die kunnen verbeterd worden, versmald of verbreed.

De tien geboden, de we kennen vanuit de joods-christelijke traditie en die eveneens daarbuiten gekend en beleefd worden, zijn nuttige wegwijzers. Ze zijn wegen waarlangs we in gemeenschap met anderen gelukkig kunnen worden. Vanuit deze overtuiging heeft Hans Küng heel veel geïnvesteerd in het project Weltethos.

De ‘tien geboden’ zijn ons gegeven als ‘levensgeboden’. Ze komen niet zomaar van buiten op ons af. Ze drukken de meest eigen eisen van ons leven uit. Het is een wet van ons hart dankbaar te zijn om het bestaan, waarheid te spreken, anderen het leven te gunnen, seksualiteit menswaardig te ordenen, onze ouders te eerbiedigen (Zie Geloofsboek, p. 149).

Wat zonder?

De mensheid heeft al een lange weg afgelegd en ze timmert voortdurend aan de weg om in te zien dat agressie moet ingedijkt, dat de spiraal van geweld moet gestopt. Het loopt verkeerd wanneer alles is ondergeschikt aan concurrentie, consumptie en collectief narcisme (Eddy Van Tilt). Het loopt verkeerd als we enkel als norm hanteren dat alles kan zolang het voor mezelf plezier, nut en gewin opbrengt. Wanneer we de tien geboden opzij schuiven, schaden we onszelf.

Rudi Fuchs, gewezen directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, zei ooit in een interview met het NRC Handelsblad: “De tien geboden zijn waar, heb ik met schade en schande geleerd. Eerst wil je daar niet aan. Nelleke, mijn vrouw, afkomstig uit een humanistisch milieu, meent dat mensen van nature goed zijn. Volgens haar leidt godsdienst tot louter moord en doodslag. Maar dan heb je het over de kwalijke invloed van de kerk – niet over religie. Ik ben geen gelovige, ik zou niet weten wie God is, maar ik besef dat er weinig valt af te dingen op de judeo-christelijke ethiek.  Beduvel maar eens iemand, beroof maar eens een bank, knal maar eens iemand neer:  je voelt aan je water dat het niet deugt. Gij zult  niet doodslaan – zo is het toch gewoon?

Als een zoon op modern-hardhandige wijze zijn vriendin aan de dijk zet, komt er iets in mij overeind. Daar moet ik wat van zeggen. ‘Zo hoort dat niet jongen. Je mag andere mensen geen pijn doen.’ Mezelf spreek ik ook zo toe: ‘Niet liegen Rudi, foei!’ En: ‘Uiteraard moet je dat bedrag aan de belasting opgeven, schoft.’  Van zulke zaken kan ik wakker liggen. Overspel, vreselijk. Maakt me nerveus en bang. Je bezoedelt het heilige, het verbond. Ik voel mezelf dan op zulke momenten ronduit schuldig. Nog meer tegenover mezelf dan tegenover Nelleke. Het ergste van vreemdgaan is, de ontrouw aan je eigen geweten, aan jezelf”.

Toch lijkt het er op dat wie zich daarvan niets aantrekt, het gemakkelijker heeft. De psalmist en de profeet in het oude Testament klagen en lijden onder het onrecht dat floreert. Maar ze hebben woorden van lof voor wie zich aan de geboden houden (ps. 19).

Uit de zonden tegen de Tien Geboden komt veel onvrijheid voor. Wie het goede doet, is veel vrijer dan wie verstrikt zit in het kwaad.

Band met de bevrijdende God

Het boek Exodus, waarin de tien levensgeboden opgetekend staan, is het boek van de bevrijding. God heeft zijn volk bevrijd uit Egypte en geeft het een wegcode mee. Omdat ze door de HEER bevrijd zijn, verwacht deze van de Israëlieten dat zij meewerken aan de bevrijding van medemensen en dit door de levensgeboden te onderhouden. Bevrijd leven is de geboden onderhouden.

Enkele geboden zijn in het boek Exodus onder een verbodsvorm tot ons gekomen. Ze wijzen dan op wegen die we niet mogen volgen. Het verbod belet dat we zouden verongelukken. Het is beter een afsluiting te plaatsen daar waar de ravijn begint, dan een hospitaal waar ze eindigt!

De tien geboden zijn meer dan tien op rijm gezette verzen. In het boek Exodus zijn de eerste geboden uitvoerig geformuleerd. Ze gaan over onze verhouding tot God. Daarna krijgen we deze over de verhouding tot de anderen en tot onszelf. De Bijbel legt een nauwe band tussen de aandacht voor God en de aandacht voor de mensen.

De profeten vooral Amos en Jesaja hebben het volk aangeklaagd omwille van hun misbruiken in de cultus en vooral omdat het onrecht bedreef. Het was hun reactie op de gevaarlijke splitsing tussen cultus en leven. We mogen ons niet tevreden stellen met cultus en riten. We mogen God niet naar onze hand zetten. We mogen de tempel als huis van God niet aanwenden tot ons profijt en als vorm van winstbejag.

We kunnen God in zijn tempel niet eren en de mens, tempel van God, miskennen. “Eens kwam de rebbe van Krakau de kamer in, waar zijn zoon in diep gebed verzonken was. In de hoek stond een wieg van een huilend kind. De rebbe vroeg zijn zoon: ‘hoor je niet dat het kind ligt te huilen? De zoon zei: ‘vader, ik was in God verzonken.’ Toen zei de rebbe: ‘wie in God verzonken is, ziet zelfs de vlieg die op een muur kruipt” (Abel Herzberg in Brieven aan mijn kleinzoon).

De gedreven Jezus

Wanneer Jezus naar Jeruzalem komt, is de gedrevenheid van deze profeten in hem aanwezig. Zoals Johannes de Doper wenst hij dat het volk zich zou bekeren. Hij is tegen de profanatie van de tempel. Hij pleit voor oprechte vroomheid.

Jezus verrast de mensen in de tempel dat hij dit doet met de zweep in de hand. Een heilige verontwaardiging. Het is een ongewoon beeld Jezus met de zweep om zijn aanklacht voelbaar te maken. Hij houdt van de tempel, hij pleit voor een zuivere cultus. Hij verdraagt ook niet wanneer de mens, de levende tempel van God, miskend wordt en onderdrukt is.

Wanneer het vierde evangelie geschreven werd, is de tempel in Jeruzalem er niet meer. Jezus, verlangt niet dat de tempel verdwijnt. Hij heeft eerbied voor de tempel. Volgens de synoptici doet het hem pijn wanneer de tempel zou verdwijnen. Dominus flevit. Hij weent wanneer hij de val van de tempel vermoedt (Luc. 19,41-45).

Mensen die van hun cultusplaats houden, voelen pijn wanneer hun kerk, hun tempel, hun synagoog en moskee opgeheven wordt, van bestemming verandert, vernietigd wordt en verdwijnt. In Irak zijn aloude monumenten gedynamiteerd en verwoest. Zo vernietigde de islamitische terreurgroep ISIS het graf van de Bijbelse profeet Jona in Mosul, het vroegere Nineve, en talloze kerken en kloosters.

De nieuwe tempel

Jezus houdt van de tempel. Maar hij verabsoluteert hem niet, zoals hij evenmin de sabbat verabsoluteerde. Aan de Samaritaanse vrouw die van Jezus klaarheid wou over de beste plaats om God te eren, antwoordt Jezus “Er een dag komt dat we overal God kunnen aanbidden in geest en waarheid.”

 

Jezus waagt het te laten horen dat hij de nieuwe tempel is. Deze tempel zal gebouwd worden doorheen zijn sterven en verrijzen. Die tempel zal zichtbaar zijn niet in stenen, maar in gemeenschappen van volgelingen van de verrezen. God wil zich niet opsluiten in stenen. Hij is de aanwezige door Jezus te midden van de mensen.

In het vierde evangelie is Jezus de gastheer op de bruiloft met zijn volk. Hij is de bruidegom van de nieuwe tijd. Hij zorgt voor voldoende goede wijn. In Kana geeft hij een voorsmaak van het “Uur” dat komen zal (Joh. 2,4).

De liturgie van de vastentijd leidt ons aan de hand van drie evangelieteksten van Johannes naar dit grote uur. Zij maakt ons gevoelig voor de paradoxen op deze weg van Pasen. Zij laat ons ontdekken dat langs de weg van de vernedering en het lijden de heerlijkheid van Jezus zal doorbreken.

De tempel moet afgebroken om in drie dagen heropgebouwd te worden (Joh. 2,19). Jezus spreekt over zijn dood en verrijzenis (derde zondag in de veertigdagentijd).

Tot Nicodemus spreekt Jezus over de Mensenzoon die hoog moet verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft (Joh. 3,14). Het omhoog geheven kruis is dit met de gestorven Jezus die de verrezen Heer is (vierde zondag in de veertigdagentijd).

De derde paradox horen we op de vijfde zondag in de veertigdagentijd. De paradox schuilt daar in het beeld van de graankorrel. “Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht” (Joh. 12,24).


De leerlingen hebben tijd nodig om deze paradoxen te onderkennen en te aanvaarden dat Jezus een nieuwe tempel bouwt, waarvan hij, de gestorven en de verrezen heer, het fundament is. Wij hebben eveneens tijd nodig om te belijden en te verkondigen dat ons geluk, ons heden en onze toekomst verbonden is met deze gekruisigde Christus (Kor. 1,22-25)