Zalig wie niet aan uiterlijkheden kleeft (2006)

Beste vrienden,
 

Wat cafépraat is, dat weten we allemaal. Daar worden, aan de toog, of in vertrouwde kring, alle wereldproblemen opgelost. En daarbij komt het er echt niet op aan of het hier om mannen aan de toog, of vrouwen bij hun koffiekransje gaat.  Stel u gewoon zo’n discussie in een bistro voor: er wordt bij een glas bier en de nationale Biefstuk - friet verhit over gediscuteerd of die verhalen over de verrijzenis van Jezus nu sprookjes zijn of niet.  

En dan schuift plots een vreemde man met lang haar, met een baard en met vreselijke littekens in zijn handpalmen bij aan tafel. Niemand had hem zien binnenkomen, maar iedereen herkent hem natuurlijk direct omdat hij er net zo uitziet als op de vele afbeeldingen van Jezus zoals ze in kerken en musea, in slaap en woonkamers, hangen of in geïllustreerde bijbels staan afgedrukt. Aan alle twijfelaars die daar bij elkaar zitten toont hij zijn handen en vraagt of ze deze willen betasten; echt waar, ze kunnen hem voelen, het is geen geest.  Dan neemt hij plots een stuk vlees van het bord van zijn buurman en eet het met veel smaak op. Nog voor iemand iets kan zeggen is hij ook weer plots verdwenen.   

Langzaam maar zeker komen de gasten terug bij zichzelf. en dan komt de discussie pas echt los. Iemand meent dat het een acteur van één of ander passiespel moet geweest zijn, een andere denkt dat de waard een stomme en vooral idiote grap met hen heeft willen uithalen en nog een andere schrijft de belevenis toe aan zijn eigen overdreven consumptie van bier en oude klare. En dan gaan ze over op een ander onderwerp: de toch veel te hoge prijzen van Diesel en Benzine!  

Ik hoop dat jullie me nu niet godslasterlijk vinden; maar geeft deze scène niet nadrukkelijk en aanschouwelijk weer waar het in het Evangelie van vandaag op aan komt en waarop niet?   

Lukas beschrijft toch op een gelijkaardig plastische manier een verschijning van de verrezen Heer, die zijn handen en zijn voeten toont aan zijn twijfelende vrienden en hen vraagt om hem aan te raken en zich ervan te overtuigen dat hij het werkelijk is. Want de tastzin laat zich niet gemakkelijk misleiden. Tevens bewijst hij dat hij in zijn verrezen lichaam echt lichamelijk bij hen is want hij eet in hun aanwezigheid en onder hun verbaasde blikken een gebraden vis op.  

Maar, is Hij het ook werkelijk? Kan een materieel lichaam zo plots verschijnen en verdwijnen ofschoon alle deuren en vensters dicht zijn?   

Ten laatste bij deze zin moet ons duidelijk worden wat de Evangelist Lucas ons wil aantonen.   Als we bedenken dat alle oudere geschriften van het nieuwe testament, ook de brieven van Paulus, angstvallig vermijden om de verschijningen van de verrezen Heer in woorden weer te geven, en dat Lukas het hier wel doet, dan moet hij daar toch een bijzondere bedoeling mee hebben, of niet?  

Zoals reeds gezegd vermijden de oudere geschriften om de verschijningen van de verrezen Heer in woorden te vatten – en waarom?  Omdat ge zo iets maar heel moeilijk onder woorden kunt brengen!   Volgens de overleveringen van het nieuwe testament betekent de opwekking van Jezus dat Jezus door de dood heen in het eeuwige, het definitieve leven bij God is ingegaan; Hij leeft nu, zoals we dat zeggen, bij Zijn Vader in de “Hemel”.  En met dat woord “Hemel” proberen we uitdrukking te geven aan al datgene wat we niet nader kunnen omschrijven, aan al die verschillende dimensies  die voor onze menselijke ervaring en voor onze zintuigen gewoon niet meer toegankelijk zijn.  Als we die overwegingen nader bekijken wordt ons ook duidelijker wat Lucas ons met dit Evangelie wil zeggen.   We mogen ook niet vergeten dat Lucas zijn Evangelie ongeveer 80 jaar na Christus geboorte heeft geschreven – dat is een feit! Dat wil zeggen ca 50 jaar na de beschreven feiten en ca 10 jaar na de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen.    

Binnen de eerste Christelijke gemeenten waren er toen reeds mensen en groepen die de „lichamelijke existentie“ van de verrezene heftig bestreden.  Hierin werden ze gesteund door de Gnostici, die weliswaar geen deel uitmaakten van de christene gemeente, maar die aan Jezus van begin af aan na zijn verrijzenis slechts een louter geestelijke existentie wilden toewijzen.   

Tegenover al deze mensen wil Lucas ons de werkelijkheid van de verrijzenis van Jezus als het ware „tastbaar“ verduidelijken.    "De Heer is waarlijk opgestaan“ – dat, en niets anders wil hij ons duidelijk maken! 

Een geloof dat alleen steunt op zintuiglijke waarnemingen is voor Lucas helemaal niet voldoende. En daarin heeft hij zeker geen ongelijk.  Herinnert u zich het in het begin aangehaalde bistroverhaal nog?  Ook wanneer al onze zintuigen ons zouden bevestigen dat Jezus verrezen is, dan zou dat  nog lang geen doorslaggevende basis zijn voor ons geloof.  Het zou ten hoogste tot een eerder oppervlakkig “voor waar houden” kunnen leiden – niet meer dan dat. 

Daarom maakt Lucas ons in het tweede deel  van het evangelie duidelijk dat ons geloof dieper moet wortelen. Het moet ons allemaal van binnenuit duidelijk worden wat het betekent dat God Jezus uit de dood heeft opgewekt.  Vrienden van Jezus vinden daarvoor de beslissende hulp in de Heilige Schrift, het Oude Testament.  Door de Schrift wordt voor hen een Aha- ervaring mogelijk, gaat hun een heel nieuw licht op.  De verschrikkelijke gebeurtenis van Goede Vrijdag, het schijnbaar mislukken van Jezus aan de schandpaal van het kruis, beide horen bijeen, beide maken deel uit van Gods heilsplan.   

Weliswaar heeft de haat van de tegenstanders, van de aan de wet getrouwe Farizeeërs, wetgeleerden en hogepriesters, kortstondig de bovenhand gehaald.  In hun ogen is de leer van Jezus over de onvoorwaardelijke oneindige liefde van God nu zo dood als het begraven lijk van zijn verkondiger.

Maar dan komt er een ommekeer. Minder van buitenuit, van het lege graf, maar veeleer van binnenuit, uit een nieuw en dieper begrip van Gods plannen.  De aanvankelijk vertwijfelende leerlingen begonnen te begrijpen dat de terechtstelling van hun meester niet betekende dat God zijn handen van hem had afgetrokken of hem in de steek had gelaten. Integendeel: de dood was voor Jezus de laatste consequentie, voortkomend uit zijn trouw aan de Vader.    

Stervend aan het kruis geeft Jezus een uniek getuigenis hoe zeer God achter ons mensen staat, hoe zeer Hij de mensen liefheeft; dat wilde Jezus ons tonen, daarvoor is Hij aan het kruis gestorven.  

En juist die getuigenis heeft God bevestigd. Hij heeft, tegen het oordeel van de toenmalige “ambtelijke kerk”, JA gezegd tegen zijn zoon waardoor deze op een voor ons onbegrijpelijke manier uit de dood is opgestaan en terug tot leven is gewekt. Men kon Hem in de gemeenschap bij het breken van het brood, dus bij het onderhouden van echte intermenselijke relaties, ontmoeten. En van toen af werkt Hij voort in alle mensen die in Hem hun vertrouwen stellen en die dat vertrouwen ook aan anderen verder doorgeven. 

Herinnert u zich nog het Thomas evangelie van vorige zondag? “zalig zijn zij, die niet zien en toch geloven”. Of anders gezegd: „Zalig zijn zij die niet blijven steken in uiterlijke, zintuiglijk ervaarbare gebeurtenissen, maar die van binnenuit, vanuit een diep inzicht, kunnen geloven aan de zege van het leven over de dood.  Want zij vertrouwen op de overtuiging van Jezus, dat God zijn schepsels, waarvan Hij oneindig veel houdt, nooit in de steek zal laten.  Amen.