3e zondag van de vasten B (2012)

U kent ongetwijfeld de uitspraak van Jezus, wijzend op de afbeelding van de keizer op de Romeinse staatsmunt: “Geef de keizer wat de keizer toekomt en geef God wat God toekomt.” Die uitspraak heeft niet alleen de toehoorders van toen bezig gehouden, maar heeft in heel de geschiedenis talloze mensen aan het denken gezet; bijvoorbeeld over de verhouding van Kerk en staat.

 

Vandaag een vergelijkbare situatie. Maar nu gaat het niet om de verhouding Kerk en staat, maar om de verhouding tussen geloof en economie. Als u zou moeten kiezen tussen uw boterham en uw geloof, wat zou u kiezen? Als u moest kiezen tussen uw bankrekening en God, wat zou u kiezen? Als u moest kiezen tussen uw baan en Jezus, wat zou u kiezen? Dat dit geen vreemde vragen zijn, blijkt uit de vervolgingen van talloze Christenen wereldwijd, in Islamitische landen, maar ook in China en in allerlei gebieden.

 

Wat heeft het Evangelie daar vandaag mee te maken? Jezus loopt het terrein van de tempel op. Hij gedraagt zich als een profeet, door de tempel te zuiveren. De Judeërs willen een bewijs dat Hij profeet is: “Wat voor teken kunt U laten zien dat U dit mag doen?” Een wonder, als een handtekening van God, als een bewijs dat Hij dit namens God doet. Maar het enige bewijs, de enige handtekening van God zullen ze pas achteraf krijgen in zijn verrijzenis.

 

Waar treedt Jezus hier precies tegen op? Er zijn toch offerdieren nodig, runderen, schapen, duiven. Met die offerdieren krijgen de tempelpriesters hun inkomen. We hebben toch ook een collecte tijdens de Mis? Maar hoe zou het zijn, als we achterin de kerk ook een pinautomaat zouden hangen, zodat u tijdens de Mis nog even kunt pinnen. En in de ander hoek een wisselkantoor, om de flappen om te zetten in kleingeld. En misschien ook nog een Albert Hein hoekje met onder andere Fair Trade spullen om iets te kopen en in de manden te doen voor de voedselbank. En dan meteen ook nog een hoek voor tweedehands spullen voor de recycling. En als die hoekjes vervolgens verhuurd worden aan kleine bedrijfjes, die daar een reclamebordje ophangen en tegelijk claimen dat ze alles met luide stem aan de man mogen brengen et cetera. Dat is commercie in de Kerk, onder het mom van min of meer nobele ideeën.

 

De commercie moet je herkennen en terugdringen naar haar eigen terrein. Commercie is een middel dat inmiddels een zelfstandige macht is geworden, die als je niet oplet als een octopus alles in de greep krijgt. Jezus opent ons de ogen voor deze valkuil. De tempelpriesters, de offeraars, voelen zich gepakt in hun boterham. Hoeveel betaalden de geldwisselaars voor een plaatsje? Hoe verdrongen de dierenhandelaars zich voor de beste verkoopplekjes? Vriendjespolitiek met voordelen als je wat ging kopen. Het ging Jezus niet om de dieren, of het gemekker, al zou wat stilte in de tempel geen kwaad kunnen, het ging Hem erom dat de waarden werden omgekeerd.

 

Dit kunnen we natuurlijk betrekken op onze eigen kerkgebouwen en ervoor waken dat onze kerken ontmoetingsplaatsen blijven met God. Ik las laats op Twitter een reactie waarin een pastoor verzuchtte: “De kerk is geen dorpshuis maar een Godshuis”. Ik wil het nog iets breder trekken. Het gaat niet om dat gebouw, maar het gaat om ons. Zoals Jezus ook verwijst naar zichzelf als Hij zegt: “Breek deze tempel af en in drie dagen doe Ik hem herrijzen”. Het gaat om onszelf als huis van God en tempel van de heilige Geest.

 

Onze Kerk worstelt elke eeuw weer met de spanning hoe je in de wereld kan staan zonder van de wereld te zijn. In de ene tijd zie je hoe de Kerk zich radicaal afkeert van de wereld, de verzuilde maatschappij is daarvan een voorbeeld. In een andere tijd zie je hoe de Kerk de wereld wil omarmen en vervolgens haar eigen identiteit verliest.

 

Dat zag je ook in de dorpen waar kerk en samenleving dwars door elkaar liepen. Pastoors werden soms onmachtig, omdat ze leunden op de rijke boeren of industriëlen die de bouw van de kerk betaalden. Missionarissen reisden met koopvaardijschepen naar missielanden en waren soms afhankelijk van geldschieters. Missieposten leunden op de bescherming van het leger en waren soms niet meer vrij om kritiek te leveren. Eindeloze verwikkelingen tussen Kerk en staat of tussen kerk en economische belangen, tussen Kerk en kunst, Kerk en wetenschap, Kerk en militaire macht of justitie en wat al niet meer. Als die verwikkeling die verweving weer te groot werd, was het steevast de Kerk die het onderspit dolf in moraal en geloof. Dus volgde er een zuivering.

 

Jezus doet dat hier ook. Er moet een plaats zijn waar de Kerk vrij is, waar God geëerd wordt zonder enige belemmering. Dat is een heilige plaats waar mensen kunnen bidden, zonder links of rechts te moeten kijken. Een plaats waar Gods Woord verkondigd kan worden zonder onderhorig te zijn aan de publieke opinie, zonder gevangen te zitten in politiek correct links, rechts of midden, dat fundamentloos is en op sommige punten volledig inwisselbaar. Het gaat Jezus om innerlijk vrijheid. De tempelpriesters laten hun eigen boterham en andere belangen voorgaan boven dat fundamentele vrijheidsgebied dat de tempel moet zijn en zo verliezen ze hun eigen vrijheid.

 

Vandaag worden wij eraan herinnerd hoe wij zelf innerlijk zo'n vrijheidsgebied moeten bewaren, als kind van God. Wel in de wereld, niet van de wereld. Vriendelijk, coöperatief voor goede doelen, respectvol naar overheden, correct in onze verhouding met de wetten van het land, verstandig in ons omgaan met wat de wereld wil en doet, met onze ruimhartige inzet en bijdrage aan een goede samenleving op tal van terreinen, maar altijd vrij. Zo vrij als de tempel na de zuivering, zo vrij als Jezus, zo vrij als wij bedoeld zijn door God. Amen.