3e zondag van de veertigdagentijd B - 2012

‘Laat ze hun plan trekken.’ - ‘Wij trekken mee!’

Zusters en broeders, trekken we dus mee met de tien woorden die God ons in de eerste lezing geeft? Je weet wel, de tien geboden. De basisprincipes waarop een samenleving gebouwd moet zijn als ze in vrede wil leven, en ook de wegwijzers naar een leven dat een hemel op aarde mogelijk maakt. De drie eerste woorden verwijzen naar God: ‘Gij zult geen andere goden hebben ten koste van Mij. Gij zult de naam van de Heer uw God niet lichtvaardig gebruiken. Denk aan de sabbat: die moet heilig zijn voor u.’ Ze verwijzen dus naar God, maar als we er wat dieper op ingaan, zien we dat ze ook direct naar de mens verwijzen.

We mogen dus geen andere goden hebben. Ik denk niet dat er onder ons mensen zijn die zich richten tot andere goden dat dan ene, ware God. Maar betekent dat ook echt dat we geen andere goden hebben? Leeft die ene, ware God sterker in ons dan bijvoorbeeld de afgod van het geld, van het bezit, en van het eigen ik? Om maar te zeggen: het is niet zo vanzelfsprekend dat we geen andere goden hebben dan onze enige ware God.

En verder: we mogen zijn naam niet lichtvaardig gebruiken. In onze versie van de tien geboden wordt dat vertaald als: ‘Zweer niet ijdel, vloek noch spot.’ Maar dat is een veel te enge vertaling, die helemaal voorbijgaat aan het ware misbruik van Gods naam. Door de eeuwen heen, en tot op vandaag, werden en worden er in zijn heilige naam oorlogen gevoerd, worden er mensen dom gehouden, vrouwen vernederd en uitgebuit, misdaden gepleegd tegen de mensheid, zelfmoordterrorisme gepleegd. Met andere woorden, het lichtvaardig gebruik van Gods naam is echt wel iets anders dan eens een vloek door de lucht laten knetteren. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat we mogen vloeken als ketters. Zeker niet. We mogen Gods heilige naam op geen enkele manier lichtvaardig gebruiken, en zeker niet misbruiken.

Zo is ook de sabbat eren - en voor ons is dat de zondag - veel meer is dan naar de kerk gaan en de viering bijwonen. Het is ook een dag van bezinning, van onthaasting, van rust, van ommekeer. Een dag van er zijn voor God, voor elkaar, voor ons gezin, voor vrienden, voor zieken. Maar wat schiet daar nog van over? Op weel zondagen zie je het verschil tussen een weekdag en een zondag nog nauwelijks, want er moet gekocht worden, de winkels moeten open zijn, we moeten geld uitgeven, want de economie mag geen dag stilvallen. De zondag wordt door velen gezien als puur economisch verlies, en nee, dat kan en dat mag niet. Want economie, geld verdienen en geld uitgeven, dat gaat boven alles.

Het is dus duidelijk dat de drie woorden die naar God verwijzen - over de ene ware God, het misbruik van zijn naam en van de zondag -  even sterk naar de mens verwijzen als naar God, want wie God niet respecteert, respecteert ook de mens niet. Het is tegen die vervlakking dat Jezus in het evangelie reageert. De tempel werd onteerd, het was een marktplaats geworden, waarbij alleen nog het uiterlijke en het geldgewin telden. En dat uiterlijke en dat geldgewin, dat waren de offerdieren, de runderen, de schapen, de duiven die er verkocht werden, en de geldwisselaars die Romeins geld omzetten in joods geld - met winst natuurlijk. De tempel was niet langer een ontmoetingsplaats tussen God en mens, want de mens kocht zijn vroomheid af met een offerdier. Gods heilige naam was een pure commerce geworden, en een even puur uiterlijk vertoon. Jezus echter wil innerlijkheid en eerlijke vroomheid. ‘Bekeer u en misbruik de naam van mijn Vader niet’, zegt Hij met de zweep waarmee Hij de hele handel de tempel uitdrijft. De betrokkenen vragen Hem waar Hij het recht vandaan haalt dat te doen. Hij is immers geen priester. Hij heeft dus niets te zeggen in de tempel. Waar moeit Hij zich dan mee?

Zusters en broeders, wellicht hebben we er nooit bij stilgestaan, maar … Jezus was een leek. Hij behoorde niet tot de klasse van de priesters, laat staan van de hogepriesters. Hij was zelfs geen leviet of tempeldienaar. Nee, Hij was een gewone leek. Waar moeide Hij zich dan mee?

Het zijn woorden die ons héél bekend in de oren klinken: waar moeien de leken zich mee. Wat kan het evangelie ongelooflijk eigentijds zijn. Laten we dus zeker niet voorbijgaan aan de vraag die ons ook vandaag vanuit dat evangelie wordt gesteld: of we willen meetrekken met Jezus. Mee naar de bevrijding door de tien woorden die God heeft gesproken, en die Jezus samenvat in één woord: Bemin God boven al, en uw naast gelijk uzelf. Zijn we bereid dat te doen? Zijn we bereid God te ontmoeten in onze medemensen, en te zijn zoals God zelf? ‘Ik zal er zijn voor u’, zegt God. Willen wij er op dezelfde manier zijn voor onze medemensen? Dat is de vraag die ons niet alleen vandaag, maar de hele veertigdagentijd door wordt gesteld. Amen.