2e zondag in de veertigdagentijd

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
'Lof zij U, Christus!', zeggen wij als het Evangelie wordt ingeleid. 'Wij danken God', zeggen wij op het einde. Wij loven Christus, wij danken God, omdat de Veelgeliefde ons voorgaat in de veertigdagentijd, op de weg naar Pasen, omdat door de woorden van het Evangelie onze zonden worden uitgewist, omdat het Evangelie verkondigd wordt tot aan het einde der tijden.

Verleden zondag zagen we hoe veertig dagen een mens kunnen doen nadenken en veranderen. Noach wachtte veertig dagen op de verzoening van Jahwe. Mozes prentte zich veertig dagen op de berg de geboden in. De Veelgeliefde scherpt zich veertig dagen in de woestijn zijn Messiaanse opdracht in. Tien dagen na Aswoensdag spreekt de Kerk opnieuw over de Veelgeliefde die na zijn doopsel de woestijn introk. In het Oude Testament wordt alleen Isaak nog zo genoemd. Het is over deze Isaak en over Abraham, zijn vader, dat we vandaag horen.

Wanneer de Verlosser van Israël optreedt, komen alle groten van de oude Schriften Hem aanbidden. Noach, Abraham, Isaak, Mozes, Elia ook, die bij de gedaanteverandering op de 'hoge berg' zich met Jezus en Mozes onderhoudt.

Vandaag leren we iets meer over Abraham en Isaak. Zoals Abraham en Isaak van de dood gered worden, zo zal Jezus door Gods kracht van de doden verrijzen. Ik zeg bewust ook Abraham. Ook hij wordt van de dood gered. Want als Isaak de offerdood sterft, is de hoop op de vervulling van de belofte voor Abraham teniet. Jahwe had hem een zoon beloofd, een land en een talrijke nakomelingschap. Isaak was uiteindelijk aan de oude Abraham en Sara geschonken. Hij was de vervulling zelf van de belofte. Als hij wegviel, stortte alles ineen. Abraham was levend dood. Alles was voor hem gedaan. Zonder Isaak was de nakomelingschap uitgesloten. Een land had voor Abraham niets meer te betekenen.

De Veelgeliefde wordt gered en Gods zegen gaat generatie na generatie in vervulling. Isaak zorgt voor zijn oude vader. Hij begraaft hem op eigen grond. Abraham zal er eeuwig blijven rusten. Hij zal er wachten op de komst van de Messias. Hij zal zich over diens dag verheugen. Met Mozes en Elia zal hij getuige zijn van Gods grote daden.

Wanneer dé Veelgeliefde komt, wordt ook Hij geofferd, wordt ook Hij gered. Hij gaat de dood in als de Geest Hem naar de woestijn drijft. Daar verzaakt Hij aan alles wat voor Abraham belofte was. Geen zoon, geen nakomelingschap, geen land zal van Hem zijn. Als Messias geeft Hij dáár reeds zijn leven aan de Vader. Op zijn weg naar Golgota zal Hij daar niets van terugnemen. In Gods handen is alles geborgen van bij het begin. Jezus' dood zal echt zijn. Ook voor Hem zal met de dood alles gedaan zijn. Hij heeft in de woestijn álles in Gods handen gelegd. Bij zijn dood zal Hem alleen zijn betrouwen op God overblijven. En ook dát zal diep geschokt worden. 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten'

De Tabor ligt midden op de weg van de woestijn naar het kruis. Tussen de veertig dagen van strijd met Satan en de hoon van de vijanden in de doodsstrijd, ligt de glorie van de gedaanteverandering in het bijzijn van enkele vrienden.

Over de vrienden van het Oude Verbond hebben we gesproken. Het zijn allen die in Gods dienst op de proef gesteld zijn. Wie zijn de nieuwe vrienden? Het zijn zij die nog alles moeten leren. Het zijn de leerlingen. Het zijn zij die Jezus verder moeten leren kennen en die dan moeten beslissen Hem te volgen. Petrus heeft Hem nog maar pas als de Christus erkend. De leerlingen en het volk hebben zopas gehoord: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen Petrus heeft tegen de lijdensvoorspelling geprotesteerd en hij heeft met de anderen vernomen dat zij integendeel zelf ook zullen moeten lijden. Wie het gloriemoment van de Tabor meemaakt leert de stap zetten van het kennen naar het volgen. Hij leert het als getuige van Jezus' gebed. Hij leert er zelf bidden, zelf zijn leven in Gods handen leggen. Hij leert er niet zélf de tenten op te richten, maar schaduw te vinden in de wolk die God zendt. Hij leert er opgaan naar Pasen, van de dood naar de verrijzenis.