God zal erin voorzien

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Iedere keer, wanneer je de geschiedenis leest van Abraham met zijn zoon Isaak, word je aan het denken gezet. Op het eerste oog lijkt het een gruwelijk verhaal, dat we zojuist hoorden. In negentienachtendertig werd door de Nationaal Socialistische Partij in Duitsland verboden om dit verhaal op de scholen aan de kinderen te vertellen. Het was te gruwelijk, vonden ze. Een volk, dat voortkwam uit een stamvader, die zo met zijn kinderen omging, zo'n volk kon niet deugen. Zoiets zegt uitgerekend de partij, die een paar jaar later tienduizenden van zijn eigen zonen offert op het altaar van de macht.

Misschien ware het beter geweest dit verhaal toch niet te verbieden, maar goed te lezen en te bestuderen en kijken hoe het past in eigen leven. Want goed beschouwt wordt het tegendeel gezegd van het liefste offeren dat je hebt. Het verhaal wil beweren: niets heeft zoveel waarde in deze wereld, dat je je kinderen ervoor zou moeten offeren: geen welvaart, geen verkeer, geen macht. Zelfs aan de vrijheid mogen je kinderen niet geofferd worden. Abraham moest dat leren tegen de goden van zijn tijd in. In de gedachten van de mensen waren het jaloerse goden, die je te vriend moest houden. Als je hen maar het beste, het liefste, het mooiste gaf van wat je had, zouden ze misschien goedgunstig voor je zijn. Nu nog vinden archeologen bij opgravingen in het Midden-Oosten onder de stadspoorten en onder de drempels van de oude huizen overblijfselen van levend begraven kinderen.
Offers aan de goden. Abraham heeft ontdekt dat dat niet kon en niet mocht. Daarmee zijn we weer terug bij het verhaal, want hoe heeft Abraham dat ontdekt? Ik denk aan Isaak, zijn zoon. Want dikwijls leren ouders van hun kinderen. Het is een schitterende dialoog, die die twee samen onderweg naar de berg Moria voeren. "Vader?" "Ja, jongen." "Vader, we hebben wel vuur en we hebben hout, maar we hebben niks om te offeren." "God zal erin voorzien jongen." En vrolijk stapt Isaak naast zijn vader verder in de richting van de berg. Zijn vader zou daarin voorzien.
Zo komen ze bij de berg en het altaar wordt gemaakt. De volgende dialoog staat niet in de schrift, maar ik kan me voorstellen dat het zo is gegaan: "Vader?" "Ja, jongen?" "We hebben het altaar klaar en het vuur is er, maar waar is nou het offerdier?"
"God zal erin voorzien, jongen. Maar ga jij zolang op dat altaar zitten." "Ja vader." Isaak klom op dat altaar, vertrouwend op zijn vader. Want zijn vader zou erin voorzien, zoals Abraham geloofde dat God erin zou voorzien. En aan de houding van zijn zoon begreep Abraham, hoe God voor hem was. Hij voelde dat God niet tegenover hem stond als een jaloerse God die gunstig gestemd moest worden. Hij begreep dat God achter hem stond om zijn hand vast te houden en hem tegen te houden zijn zoon te offeren.
God aan de kant van de mensen, zoals Hij zichtbaar werd in zijn zoon Isaak. Abraham heeft het begrepen daar op de berg hoe God met mensen is. Wat hen ook overkomt, ze mogen op Hem vertrouwen onder alle omstandigheden. Hij heeft begrepen dat God nooit van mensen vraagt het liefste, het mooiste, het beste, een kind te geven. Onder alle omstandigheden blijft God de bondgenoot van de mens. Op Hem kunnen we aan. Hij zal erin voorzien, wat ons ook overkomt.