Gezins- en zakenrelaties (2003)

Elke zakenman weet dat goede relaties om offertjes vragen. Vooral rond de feestdagen worden daartoe cadeautjes uitgedeeld, maar ook zo tussendoor. In onze streken meestal geheel vrijblijvend, in andere landen doodgewoon steekpenningen om iets te verkopen of gedaan te krijgen. Het schijnt bij het handelsinstinct te horen dat in iedere mens zit, zij het in de een beduidend meer dan in de ander. Zelfs moeders die hun kind snel koest willen krijgen offeren een snoepje of zoiets. Voor dat moment ontstaat er eventjes een handelsrelatie en onder mensen wil dat dikwijls wel werken. Toch mogen we zeggen dat gezinsrelaties van een andere aard zijn dan handelsrelaties; de manier waarop men omgaat met de klant in het winkelpandje beneden is anders dan de manier waarop dezelfden in het woonhuis erboven met elkaar omgaan.

Ook in de omgang met God vinden we die twee richtingen. Het oudst is de zakenrelatie. Lange tijd hebben Mesopotamiërs, zoals Abraham, gedacht dat ze bij de Almachtige in de gunst konden komen door aan Hem het grootste offer te brengen dat ze zich maar konden indenken. Ze offerden niet alleen regelmatig een paar duiven, niet alleen eens per jaar een lammetje, maar eens in hun leven offerden ze zelfs het eerste jongetje dat uit hun huwelijk werd geboren. De Asteken en Inca's hebben dat nog heel lang vol gehouden. Vreselijk! Als dan de oorlog uitbleef, de ziekte genas, de natuurramp niet terugkeerde, dan dankten ze de Almachtige voor de verkregen gunsten die ze naar hun idee, weliswaar tegen een groot offer, maar succesvol hadden weten te verkrijgen.

God als handelsrelatie, die opvatting duikt nog dikwijls op ook in onze tijd. Je maakt een bedevaart, houdt een noveen, leeft 40 dagen op water en brood of bestelt een groot aantal missen om op die manier God gunstig te stemmen. En als er dan niet onmiddellijk rampspoed volgt is er reden voor een dankgebed. Een bedevaart kan tot bezinning leiden, bidden de relatie tussen God en mens verstevigen, een H.Mis ter gedachtenis sterkt het vertrouwen in Gods eeuwige bekommernis om mensen.Maar dit alles is geen handelswaar.

Stilaan zijn gelovige mensen tot de ontdekking gekomen dat de relatie met de Almachtige toch een heel andere is dan die zakenrelaties tussen mensen. Het beginsel "voor wat hoort wat" is puur menselijk, maar past niet bij Hem. De Almachtige die de ene mens kwaad zou bezorgen en de ander met weldaad overlaadt bestaat niet. Mensen doen zo wel onder elkaar; de cadeautjesgever krijgt een plaatsje boven op het stapeltje.

Ook Abraham ontdekte dat de relatie die hij van omwonende volkeren had afgekeken niet bij God hoorde, dat die offers van weleer niet echt hielpen, dat leven en dood bij elke mens blijven horen. Het godsvolk uit de bijbel wist al vroeg dat de ontwikkeling van de aardkorst aardbevingen, droogte en overstromingen kan veroorzaken. En ze hebben ondervonden dat oorlogen blijven terug komen. Stilaan breekt het door in hun geloven en weten dat er met God niet gehandeld kan worden, maar dat Hij wel degelijk iets vraagt,het beste wat een mens kan geven: de belangeloze inzet voor de ander.

Jezus van Nazareth was daarom helemaal een mens van zijn tijd en van onze tijd. Hij keerde zich af van rituele offerpraktijken ten gunste van royale offers aan de misdeelden, de kinderen, de zieken en gehandicapten, de zwakken. Daarmee zijn we terug bij wat ook vorige week ons werd voorgehouden. De verhouding tot God is die van een goede gezinsrelatie, zoals die vooral van goede ouders naar hun kinderen is. Geen handelsrelatie, maar een gezinsrelatie naar Hem en naar zijn gezinsleden, onze medemens.