1e zondag van de veertigdagentijd (2009)

Wie zich geroepen voelt het Sienjaal te geven;
wie, als godskind, zelf onder de mensen gaan moet
hun andermaal de tarwe van het leven brengend
en het levensbloed dat blakert op de huizen, doch niemand durft het aankijken,
- o de schrik van het godsbeeld in zich te ontdekken en de vrees
naar het Doel gedreven te worden; -

wie Godsgezegend is om, rit na rit, te stappen tot het alles is volbracht,
tot de tweede lijfelike dood durft gaan en dragen durft de derde nacht,
om de geest Gods in zich te bevrijden, hem het tweede leven te schenken, -

Wie Godsgeroepen is het sienjaal te geven,
hij vergare eerst de kracht veertig dagen in de woestijn
naar het aanschijn Gods in zich te zoeken.
….
De woestijn dat is de onmetelikheid van het zoeken. Er is geen pad,
geen spoor;
de stem zegt enkel: 'Hier begint uw leven, zoek het pad.'

Ik heb geluisterd, / heb gewacht, / ben gegaan / van hoop vervuld;

Tans heb ik reeds het verschiet van een weg in mijn leven
en naar het heiligmakende water van de Jordaan kan ik mij begeven,

Na veertig dagen van ontbering, van verzoeking en van
moedeloosheid,
deze beek die zuiver zingt in zich te vinden!

Dit is het sienjaal naar de heiligmakende Jordaan van ons geweten te gaan.
Uit: Paul van Ostaijen, het Sienjaal

Het is 1918, het einde van de Eerste Wereldoorlog.
België ligt in puin, met de wonden van loopgraven, waar nu nog de littekens van te zien zijn.
Dan schrijft Paul van Ostaijen, een Belg, het gedicht dat u hoorde
en dat op de voorkant van uw boekje staat.
Een programma voor ons, zeker in deze vastentijd.
De dichter mediteert over Jezus in de woestijn.
Tegelijk mediteert hij over ieder van ons.
Ga net als Jezus op zoek naar de kern van je leven.
Hij noemt dat het godsbeeld in ons,
het aanschijn Gods in ons,
de geest van God in ons,
ons geweten.
Er is een onzegbaar geheim in ieder van ons dat in ons fluistert, roept.
Maar, o schrik, als je het onder ogen ziet en hoort,
en er dan naar toe gedreven wordt.
We willen wel geroepen worden, maar nu nog even niet.
Wij veranderen niet zomaar.
Er moet heel wat gebeuren voordat we nieuwe wegen inslaan.
Een crisis kan nodig zijn om ons zover te krijgen.
Op dit moment denken we dan wellicht aan de kredietcrisis,
de economische depressie die ons gaat raken.
Maar laten we eerst stilstaan bij een andere crisis,
een die iemand raakt in een persoonlijke situatie -
door het verlies van een geliefde,
door een ernstig ongeluk,
of door een erfelijke belasting die je kwetsbaar maakt.


Crisis betekent: onderscheid maken, ontdekken waar het op aankomt.
Je gaat erop of eronder.
Crisis betekent gevaar èn kans.
Het gevaar is met name dat je in een depressie belandt, jezelf kwijtraakt.
Ik ben pastor geweest in revalidatie en psychiatrie.
Daar kwam ik die mensen in crisis of depressie dagelijks tegen.
Een dwarslesie schokt heel je bestaan;
veel relaties van gehandicapten doorstaan de schok niet.
Een psychische jarenlange depressie maakt het leven van elke dag tot een hel.
Op den duur vallen contacten met gezin en vrienden weg.
De weg die deze mensen hebben te gaan
is als een tocht door de woestijn.
De dichter zegt ervan:
De woestijn dat is eindeloos zoeken.
Er is geen pad, geen spoor; - welke kant moet je op?!
de stem zegt enkel: 'Hier begint je leven, zoek het pad.'
Ja, het is een barre woestijntocht.
Geen pad, geen wegwijzers, alles dor en droog. Ontberingen aldoor.
Het enige dat helpt is: gaan, stap voor stap,
volhardend zoeken.
De dokter noemt het een depressie;
de bijbel noemt het woestijn.
Hoe doorstaan mensen deze tocht?
Het lukt niet iedereen om er zich doorheen te slaan.
Maar er zijn ook heel veel mensen die er zo door groeien,
dat ze echt worden, authentiek.
Ze gaan zien waar het op aankomt in hun leven,
schijn valt weg.
Ze hebben ook meteen door of iemand het meent met hen of niet.
De dichter zegt over hun weg:
het is een gaan naar ons geweten.
Ge-weten.
Dat is niet alleen weten wat goed en kwaad is.
Dat is weten waar het op aankomt,
wat voor mij goed is en betrouwbaar.
Dat is weet hebben van die geest van God die in mij roept,
Dat is ontroerd raken doordat ik weet hebt van Gods aanschijn in mij
en in de mens naast me.
Zo ontdek ik: ik ben kind van God. Hij roept mij.
Je moet ruimte maken in jezelf om daar oog voor te krijgen,
onnodige ballast overboord,
Vasten is in feite ruimte maken in je ziel.


Het evangelie vertelt van Jezus na zijn doop in de Jordaan.
Jezus gaat dan de woestijn in, gedreven door de Geest.
Veertig dagen lang,
symbool van een leven lang op weg naar beloofd land.
Wat is dat voor een proces dat Jezus doormaakt?
Bij zijn doop in de Jordaan hoort hij de stem:
Jij bent mijn geliefde Zoon, in wie ik vreugde vind.
Hij hoort: je bent mijn kind - kind van God.
In de woestijn gaat hij op zoek naar dat godskind in zich.
Hij wordt op de proef gesteld.
Ben ik wel een kind van God?
Dat stelt toch niks voor, zegt de Satan.
De andere dag zegt de tegenspreker: een kind van God kan alles, jij ook.
En dan weer: begin er niet aan, want wat haal je op je hals!
In de woestijn wordt Jezus wie hij is: godskind.
Hij ontdekt wat het van hem vraagt.
En hij gaat ervoor - tot de laatste snik.
Wij horen vaak genoeg dat we godskinderen zijn,
maar beseffen we het?
En wat houdt dat dan in?
De veertigdaagse vasten is een uitnodiging om ernaar op zoek te gaan.
Om te worden wie we in wezen zijn.
Vasten is niet jezelf pesten, maar ruimte maken.
Je maakt ruimte voor het beste in jezelf, voor dat kind van God in jou.
Op drie manieren:
afzien van overbodige tijd om ruimte te maken voor bezinning en gebed;
afzien van overbodig eten om ruimte te krijgen voor diepere lagen in je ziel;
afzien van overbodige luxe om ruimte te maken voor mensen naast je.
Dat zijn vanouds de drie manieren om je weg te vinden in de woestijn:
bezinning en gebed,
minder eten en drinken,
geven van wat je hebt.
De moslims hebben dit van de christenen overgenomen in hun Ramadan.
De christenen zijn er laks mee omgegaan, maar ontdekken het nu opnieuw als waardevol.
Ik las dat het nu zelfs hip is om te vasten!
Nelson Mandela hield na zijn ballingschap op Robbeneiland een keer een toespraak
die ik u voor deze vastentijd wil meegeven als richting.
Hij herinnert ons eraan dat wij Godskinderen zijn - net als Jezus.
Onze diepste angst is niet dat wij ontoereikend zijn.
Onze diepste angst is dat wij mateloos krachtig zijn.
Het is ons licht, niet onze duisternis, dat ons het meeste vrees aanjaagt.
Wij vragen ons af: wie ben ik dat ik briljant, schitterend, talentvol, fantastisch zou zijn?
Let wel: wie ben je dat je dat niet zou zijn?
Je bent een kind van God.
Als jij je gedeisd houdt, bewijs je daarmee de wereld geen dienst.
Het is niet nodig om jezelf zó klein te maken dat andere mensen nooit onrustig zullen worden in jouw buurt.
Wij zijn allemaal voorbestemd om te schitteren, zoals kinderen dat doen.
Wij zijn geboren om de heerlijkheid van God die binnen ons is, naar buiten te brengen.
Die bevindt zich niet in slechts enkelen van ons: die is aanwezig in iedereen.
En als wij ons eigen licht laten schijnen, geven wij onbewust andere mensen toestemming om dat ook te doen.
Wanneer wij bevrijd zijn van onze eigen angst, heeft onze aanwezigheid automatisch een bevrijdende werking op anderen.