De rode draad (2006)

Inleiding

Om te zien een nieuwe aarde, om een mens te zijn in nieuwe tijd en dat we willig zijn te doen wat moet gedaan. Te doen wat moet gedaan om Gods rijk hier en nu gestalte te geven.

Broederlijk delen stelde voor het weefgetouw te nemen als symbool voor deze vastentijd. Weven behoort tot de cultuur en traditie van volkeren over de hele wereld. En, alhoewel het basisidee overal gelijk is, zijn er nogal wat verschillen in weefkunst, niet alleen qua patronen, maar ook wat materiaal- en kleurgebruik betreft. Zo zou een weefgetouw symbool kunnen staan voor de eigenheid en de kracht van één volk. Maar juist doordat het overal gebruikt wordt, maar telkens op een eigen manier, kan het weefgetouw ook als symbool gezien worden voor het werken aan de droom van een wereldwijd bondgenootschap.

Dat is de rode draad die we doorheen deze vastentijd weven: verbondenheid.

Een weefsel haalt zijn sterkte uit de verwevenheid van twee soorten draden: de schering- en de inslagdraden. De scheringdraden vormen de solide basis van het weefwerk, zonder schering geen inslag; de inslagdraden bepalen hoe het resultaat er zal uitzien: kleurrijk of monotoon, strak of speels, los of zeer hecht,...

De scheringdraden zijn de levensnoodzakelijke dingen in het leven: eten, kleren, onderdak, elementaire voorzieningen. De inslagdraden zijn onze dromen voor geluk, rechtvaardigheid, een betere wereld, die we doorheen ons leven weven.

We hebben hier een weefgetouw klaarstaan, met de scheringdraden erop. Elke week weven we een stukje bij. Vandaag zijn we begonnen met de rode draad die ons verbindt.

Als we ons onlosmakelijk verbonden weten met elkaar kunnen de plannen van noord en zuid vlotter en op een subtielere manier met mekaar verweven worden, met een maximale openheid en respect voor ieders eigenheid en spiritualiteit.

Dat we met elkaar verbonden zijn, of we dat nu willen of niet, en dat we ons ook verbonden mogen weten met wat wij "God" noemen. Daar willen we in deze viering even bij stilstaan.

Openingsgebed

Wij, een handjevol mensen
hier samen om te bidden en te vieren
Wij, die onze dagen slijten
tussen resten van kerken,
verlegen zoekend naar een nieuw geloof
vol verlangen naar een nieuwe samenleving.
Mensen, die met zo goed als niets
toch toekomst willen helpen scheppen
iets nieuws willen helpen geboren worden,
en die tegelijkertijd weten
dat niets nieuws begint
zonder tegenstand, lijden en pijn.
En toch ... bidden wij ... tot Jou.

Bezinningsmoment

Loopt er ook een rode draad door ons leven?
Kiezen we zoals Noach of Jezus,
of leven we dag na dag, zonder zelf te kiezen,
gedreven door de massa?

Wélke rode draad weven we door ons leven?
Durven we Gods droom aan:
een wereldwijd bondgenootschap,
of schermen we ons af,
leven we voor onszelf?

Hoe zichtbaar is de rode draad in ons leven?
Is het een kleine kanttekening in de rand,
of een stralende regenboog,
een volgehouden inspanning en engagement?

Woordje

"Je gaat met die kinderen toch niet over geloven spreken zeker?!"
De (verontwaardigde) uitroep van een ouder bij de voorstelling van het catecheseprogramma voor de 12-jarigen, enkele jaren geleden. Nochtans had diezelfde ouder, samen met een twintigtal anderen, wat eerder, en volledig uit vrije wil, zijn kind ingeschreven voor dit catechesejaar.

Wat was er aan de hand? Waar liep het fout? Waar was deze man zo bang voor? Wat was er zo bedreigend dat het moest geweerd worden? Of was het gewoon een uiting onze tijdsgeest? Het intrigeert mij en ik ga op zoek naar een antwoord, een verklaring.

Ik heb Erik Borgman en zijn opvattingen over de post-moderne mens en post-moderne theologie, de afgelopen jaren leren kennen. Hij is Nederlander, theoloog en verbonden aan de universiteit van Nijmegen.

Erik Borgman zegt over de post-moderne mens en zijn tijd het volgende: "Onze tijd is een tijd van individualisering. Dat wil zeggen dat deze individualisering in eerste instantie niet zozeer een keuze is, als wel een sociaal feit." Onze huidige samenleving legt ons dit als het ware op.

De post-moderne westerse mensen halen hun identiteit niet langer uit het feit dat ze tot een bepaalde groep behoren, of op een bepaalde plaats wonen, of tot een bepaalde kerk behoren. Ze ervaren zichzelf allereerst als individu en daardoor als mondig, zelfstandig, kiezend, eigenaar van kwaliteiten en vaardigheden. Op deze manier zijn ze deel van de maatschappij.

Dat wil zeggen: vroeger werd je lid van een vereniging omdat je ouders of je broers en zussen daar ook lid van waren (vb scouts, zangkoor,...), of door de plaats waar je woonde (je werd lid van de scoutsvereniging op jouw parochie, van het zangkoor op jouw parochie of van jouw school). Men identificeerde zich ook sterk met deze groep. De persoonlijke groei en sterkte, dikwijls de eigen identiteit zelf, werd gehaald uit het groepsgevoel, dezelfde geest die iedereen bond.

Vandaag de dag is dat veel minder het geval. Mensen gaan actief op zoek naar hun persoonlijke identiteit en zoeken zich maximaal te ontplooien via verschillende wegen. Doordat we zo graag zelf alle touwtjes in handen willen houden, zelf diegene willen zijn die de koers van ons eigen leven bepaalt, wordt het zeer moeilijk om de teugels wat te vieren, om iets van die zekerheid los te laten.

Ik denk dat daarin voor een groot stuk het probleem ligt voor de westerse mens van vandaag: om te geloven moet je kunnen loslaten, je overgeven aan dat wat wetenschappelijk niet te verklaren is, gewoon geloven dat je kan vertrouwen zonder te weten, juist toelaten om niet alle touwtjes zelf in handen te willen houden.

Voor mezelf is geloof iets als een onderstroom. Het is iets dat mij draagt. Het is er altijd en af en toe licht het op. Net zoals de regenboog ook maar af en toe aan de hemel staat, soms zeer nadrukkelijk, soms nauwelijks waarneembaar, maar zeker niet permanent zichtbaar. En toch weten we allemaal: altijd opnieuw kan hij er staan, meestal heel onverwacht. Het geeft iets vertrouwds, een soort rust.

Enkele weken terug schreef Rik Torfs in zijn column in De Standaard:

"Ik geloof tegen beter weten in dat God bestaat omdat het tegendeel mij nog onwaarschijnlijker lijkt."

En wat verder:

"Wie weet is God niet zozeer de oorzaak van de dingen, maar gaat Hij schuil in de aandacht die ze verdienen. Gods bestaan was mij altijd aangenaam. Wie in hem gelooft hoeft niet langer zelf de maat te zijn van alles wat er is. De plicht vervalt om het hele leven angstvallig onder controle te houden."

Geloof, of spiritualiteit, heeft voor mij heel veel, zo niet alles, te maken met dynamiek, veerkracht. Het is datgene wat mij opricht na een worsteling, wat mij de kracht geeft om verder te gaan. Het is dat ook wat mij, telkens weer, de kracht geeft om naar mensen toe te gaan en met hen op weg te gaan, letterlijk of figuurlijk.

Een belangrijke voorwaarde om met mensen op weg te kunnen gaan, is: dat je je moet kunnen openstellen voor hen. Ik denk dat er een aantal grondhoudingen zijn die je hierbij kunnen helpen:

Ten eerste is het van wezenlijk belang dat je een grote openheid aan de dag legt naar anderen toe, en dat je je wil laten raken door hen. Dat kan alleen maar als je jezelf buiten het centrum kan plaatsen.

Ten tweede: of je het nu wil of niet, je bent zowel lotsverbonden als maatschappelijk verbonden met mensen. Dit gegeven gewoon accepteren en niet bevechten kan al heel veel helpen om een stap in de juiste richting te zetten.

Daarnaast is het ook goed en nodig om af en toe de tijd te nemen om je te verdiepen, om te focussen, om af en toe tot rust te willen komen.

Zo in het leven staan betekent dat je de ander ruimte kan geven, zorgt ervoor dat je contact met de ander een bevrijdend handelen is en geen vernedering of beknotting of onderdrukking wordt.

Dat de mate waarin je persoonlijk geraakt wordt een voorwaarde is voor de manier waarop je anderen tegemoet treedt, mochten we de afgelopen week weer eens ervaren.

Een lid van een partij die erom gekend staat vreemdelingen buiten te willen, hield nu een persoonlijk pleidooi om een uitgeprocedeerd Kazachs gezin aan wettelijke verblijfspapieren te helpen. Een schoolvoorbeeld van de wereld van verschil die er bestaat tussen ‘de vreemdelingen' en dat ene gezin dat mijn buur is.

Of wat verder in het geheugen: de massale hulpacties die her en der spontaan op gang kwamen na de verschrikkelijke beelden van de Tsunami vorig jaar.

Erik Borgman zegt in dit verband:

Gemeenschap is daar waar individuele levensgeschiedenissen samenkomen en van elkaar werkelijke invloed ondergaan. Dat gebeurt als mensen hun eigen lot in dat van anderen herkennen en omgekeerd: verwante pijn, verwante verlangens of hoop,... In deze verwantschap kan ik de geschiedenis van de ander zien als iets wat ook mijn verantwoordelijkheid is. Mijn geschiedenis kan maar dan tot zijn recht komen als ook de geschiedenis van de ander tot zijn recht komt. Waar mensen mekaars lot dragen en mee in handen nemen, krijgt de nieuwe wereldorde gestalte.

Nog wat verder schrijft Rik Torfs in zijn column: "Wie gelooft durft het aan hier op aarde geen kolonist, maar een voorbijganger te zijn, waarbij hij geniet van wat mooi is, onrechtvaardigheid aanklaagt en hoogmoed doorprikt."

Misschien moeten we de tekst van Marcus van vandaag zo beluisteren en verstaan: Marcus 1,14-15

Maar nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea de goede boodschap van God verkondigen en zei: "De tijd is rijp en het koninkrijk van God is ophanden. Bekeer u! Heb geloof in de goede boodschap."

Het koninkrijk van God is ophanden. Het is niet iets wat ons ooit in een verre toekomst beloofd wordt. "Bekeer u", dit wil zeggen: werk daar allemaal samen aan. Keer uzelf om, doe het vanaf nu anders dan tevoren. Waar we ongelijkheid, onrechtvaardigheid aanklagen en opkomen voor rechtvaardigheid en solidariteit, voor verbondenheid met elkaar, daar begint het. Laten we dit als rode draad meenemen door onze ganse vastentijd.

Tenslotte : Als afsluiter, of toemaatje, een kort Joods verhaal:

Eens vroeg een oude rabbi aan zijn leerlingen hoe je het moment kunt bepalen waarop de nacht overgaat in de dag.
Voor ons ligt dat ogenblik in het tijdstip dat de zon opgaat en de duisternis verdrijft.
Zijn leerlingen gaven andere antwoorden.
De ene zei: "De dag is aangebroken op het moment dat je in de verte een hond van een schaap kunt onderscheiden."
"Nee", zei de rabbi.
Een andere zei:"Het is het moment waarop je van verre een dadelboom van een vijgenboom kunt onderscheiden."
"Ook niet", zei de rabbi.
"Wat is het dan wel?", vroegen de leerlingen nieuwsgierig.
"Het is het moment", zei de rabbi, "dat je in het gezicht van een mens kunt kijken en daarin je broeder of je zuster ziet. Tot dat moment blijft het nog nacht en is de dag nog niet voor je aangebroken."