Ik word een poesje (1997)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

TUSSEN BEEST EN ENGEL


"Hij was er met de satan, de wilde dieren en de engelen dienden hem..." Zo beschrijft Marcus de periode die Jezus in de woestijn doorbracht. Wordt een mens door engelen en duivels omgeven als hij op zichzelf wordt teruggewezen? Wat is toch die spanning waarin een mensenleven zich afspeelt? Een aap is een aap en een engel is een engel, maar een mens voelt zich daar ergens tussen heen en weer geslingerd; tussen noodlottigheid en vrijheid, tussen wat hij is en wat hij kan zijn.

EEN MENS IS MEER DAN HIJ IS

Een vrouw is gestorven. "Gelukkig", verzucht de familie. "Want als ze verlamd ontwaakt was in een rolstoel, was ze weggekwijnd van oeverloos verdriet." Zoiets wordt al gauw gezegd. Allicht. Het troost. Maar in mijn hart knaagt twijfel. Te vaak heb ik gezien dat mensen in onmogelijke omstandigheden uitgroeiden tot ver boven hun grenzen. In bed gelegen en moeilijk ademend zag ik mensen in staat tot het uiten van gevoelens die ze tijdens hun gezondheid nooit hadden getoond. Een mens is veel meer dan hij is geweest. Een mens is meer dan hij is. Een mens is ook wat hij had kunnen zijn, de twijfels, de verlangens, de hoop, dat wat hij wilde en dat waarvan hij wilde dat het niet was gezegd of geweest. Daarom is de mens een oneindigheid aan feitelijkheden en mogelijkheden. Die eigenschap van ons om meer te zijn dan we zijn, noemen we onze "transcendentie". We zijn meer dan we hier en nu lijken te zijn.

TRANSCENDENTIE

Ik wilde een ouderavond voor de eerste communicantjes voorbereiden. Ik ging naar de basisschool. Ik was een kwartier te vroeg. Daarom had ik het geluk het uitgaan van de kleuterklassen mee te maken. Veel kleuters negeerden mijn aanwezigheid. Anderen gingen er op in. Sommigen wezen met een vinger: "Ik ken jou..." Ik genoot ervan, want ik had ze waarschijnlijk allemaal gedoopt en gebeden dat ze zouden "opgroeien in welgevallen bij God en bij de mensen". Aarzelend komt ineens een klein meisje naar me toe. Een schatje. Ze komt als een fee naar me toe en stelt fluisterend een indringende vraag: "Weet je wat ik word met Carnaval?" Nee, ik wist het niet, maar ik was opeens intens geïnteresseerd, als betrof het uiterst belangwekkend besluit. Ze boog zich nog verder naar me toe. Haar ogen kregen de glans van engelen en ze legde haar antwoord in de lucht: "Ik word een poes....!"
Daarop schoot door mijn hoofd: "Wat een eer voor alle poesen op de wereld, dat jij met Carnaval poes wil zijn." Geen kat op aarde zal kind willen zijn, maar jij kunt willen, een poes te zijn, dat is misschien wat de traditie noemt: het beeld van God naar wie je bent geschapen. Dat is jouw transcendente. Jij kunt voelen: ik kan een ander zijn. Straks sta je aan een ziekbed en voelt mededogen omdat je weet: voor bijna hetzelfde geld kan ik die ander zijn. Dat is onze transcendentie.

'IK HAD JOU KUNNEN ZIJN"

Noach woonde met de dieren in een boot. Het was hem niet genoeg om zichzelf of de mensheid te redden in deze legende. De mensheid staat niet op zichzelf. Noach neemt alles in de boot, de hele dierenwereld.
Jezus ervaart zijn goddelijkheid, zijn transcendentie het meest als hij oog en oog staat met een zieke. "Ik had ook jou kunnen zijn". Dat verplicht. In de veertigdagentijd willen we ons solidair voelen met alle bewoners van welke woestijn ook. Dat we ons in hen kunnen verplaatsen en mededogen voelen, dat maakt onze goddelijkheid uit.

UIT STOF EN ADEM

Bij uitvaartdiensten is het haast een cliché‚ geworden om te zeggen: "Gij keert terug tot uw oorsprong: het stof van de aarde en levensadem uit Gods mond..." Ik vind het een mooie zin. Ze zeg wat ik voel. De mens is stof en een glimlach uit de eeuwigheid. maar ik kan het niet rijmen. "Stof van de aarde" kun je pakken en kneden. "Levensadem van God" is een gedicht. Het verwijst naar iets ontastbaars. De twee elementen zijn onvergelijkbaar. Ze zijn niet op dezelfde manier waar. Maar ze zijn wel allebei waar. We zijn stof en adem, we zijn omgeven door duivels die ons willen verlagen en engelen die ons willen optillen. Er zijn krachten die ons omlaag trekken en vereenzelvigen met wat blijft en dood is, en er zijn uitdagingen die ons vooruit roepen en buiten onszelf. Ze spreken ons vermogen aan om ons te verplaatsen in een ander, en dat maakt vergeving mogelijk en offers en toekomst. Het is het begin van Gods koninklijk.

HET FIJNE VAN POEZEN

Lieve kinderen.
Een kleuter liep de klas uit. Op de gang stond ik wat te wachten. Een heel lief meisje kwam naar me toe en zei "Weet je wat ik word met Carnaval?" Ze had het geheim gehouden, maar aan mij wilde ze het wel verklappen. Of beter, ze kon het niet meer geheim houden. Ze wilde het zo graag! "Ik word poes". "Wat leuk", dacht ik. "Dat je dat kunt". Wat is het lief om poes te willen zijn. Haar broertje wil Batman worden en de buurjongen wordt Zorro. Wat wonderlijk dat wij niemand anders kunnen spelen. Wat bijzonder dat wij een ziek kindje zien en denken: "wat zielig, stel je voor dat ik het been in het gips had..." Of dat we een hongerig kindje zien in een arm land en denken: "niet eerlijk dat ik het zo goed heb en dat kindje zo slecht." Het is heel wonderlijk dat mensen dat kunnen.
Ik vroeg me wel af, waarom wil dat meisje poes zijn en geen giraffe of konijn. Ik denk dat ik het weet. Poes zijn is zo leuk omdat poezen zoveel worden ge-aaid. Ze had natuurlijk thuis gezien hoe de poes werd gestreeld, totdat zij met rotvaart op de vlucht ging, en hoe ze lekkere diner-brokken kreeg.
Maar wat een wonder dat we iemand anders kunnen spelen... Dat maakt het leven spannend. We kunnen vlinder zijn en olifant, maar we kunnen ons ook voorstellen dat wij woonden in een arm land, of in een ziekbed lagen. Dat maakt het leven lief.