1e zondag van de veertigdagentijd B - 2018

‘Ik zet mijn boog in de wolken. Die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde.’

Zusters en broeders, zo spreekt God de Heer in de eerste lezing. Hij zal zijn boog in de wolken plaatsen, en die boog is een beeld van de regenboog. Een natuurverschijnsel dat de meesten onder ons al van in onze kindertijd aantrekt. Het gaat immers om een prachtig kleurenspectrum waarin rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en paars in elkaar lijken over te vloeien en toch hun eigenheid bewaren. En die natuurpracht verbindt twee punten met elkaar die immens ver van elkaar verwijderd zijn. Zo is God de Heer voor eeuwig met alle mensen verbonden, want zijn verbond blijft duren. Ook wanneer de mens het verbond niet naleeft en een totaal verkeerde weg ingaat, blijft God trouw aan dit verbond.

Die trouw heeft ook Jezus. Hij wordt door de Geest de woestijn ingedreven en Hij wordt daar, omringd door wilde dieren, door de duivel op de proef gesteld. En die wilde dieren zijn geen leeuwen, tijgers, gifslangen of andere gevaarlijke roofdieren, maar het zijn verleidingen waarmee de duivel Jezus overvalt: de verleiding om zijn goddelijke macht te misbruiken om een succesprofeet te worden, om te heersen over de aarde, om het kwaad in zichzelf te verheerlijken en te aanbidden. Maar wat de duivel ook probeert, de trouw van Jezus aan zijn goddelijke zending van liefde, vrede en gerechtigheid is onaantastbaar.

Misschien zijn we ons daar niet van bewust, maar ook wijzelf en alle mensen worden, net als Jezus, in de woestijn van het leven verleid door de wilde dieren van de duivel. De dieren van hebzucht, van egoïsme, van onverschilligheid. De dieren van heerszucht, van geweld, van terrorisme, van machtsmisbruik. We zien hoe de rijken de armen uitbuiten, hoe heersers hun eigen volk bedriegen, van vrijheid beroven, vernederen, vermoorden. En hoe gaan wij om met de wilde dieren in onszelf?

Jezus wijst daarvoor een weg aan: ‘Bekeer u, en geloof in de Blijde Boodschap’, zegt Hij. En ‘zich bekeren’ wil zeggen ‘zich omkeren.’ Niet langer de weg gaan van zelfzucht, van wreedheid, van eigenbelang, van macht en machtsmisbruik, maar geloven in de Blijde Boodschap. En de Blijde Boodschap, dat is Jezus zelf. Als we Hem zien, zien we het beeld van God als mens onder de mensen. God, Jezus die de weg aanwijst die wij moeten gaan, en dat is de weg van liefde, van vrede, van hulpvaardigheid, van aandacht voor elkaar, van nederigheid.

Daartoe worden we in deze veertigdagentijd nog meer dan anders opgeroepen: dat we zouden leven als echte christenen die Gods weg willen gaan. Dat we niet zouden kiezen voor egoïsme, voor kwaadsprekerij en zelfverheerlijking, maar voor een eerlijk leven dat openstaat voor armen, voor zieken, voor de problemen in de maatschappij en in de wereld. Dat we ons niet zouden overgeven aan de ziekte van deze tijd, en dat is onverschilligheid, zegt onze goede paus Franciscus. Nee, zo mogen we niet zijn. Geen onverschilligheid, maar verbondenheid. Daar roept Broederlijk Delen ons voor op. ‘Help honger de wereld uit’, is de slogan van dit jaar, en honger is er, en niet een beetje: niet minder dan achthonderd miljoen mensen zijn ondervoed en ondergaan een mensonwaardig bestaan. Dit jaar gaat de aandacht naar Oeganda, een Afrikaans land waar het goed zou moeten zijn om te leven, maar waar dat voor heel veel inwoners helemaal niet zo is.

Zusters en broeders, God de Heer zegt: ‘Ik zet mijn boog in de wolken. Die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde.’ En zijn boog van het verbond geldt voor eeuwig. Het zou goed zijn als ook wij onze boog in de wolken zouden plaatsen. De boog die ons verbindt met God en met onze naasten dichtbij en veraf, en in deze veertigdagentijd speciaal met Oeganda. Amen.