De wilde dieren in ons

1e zondag van de veertigdagentijd    Cyclus B    26/02/2012                                   Gen 9, 8-15 

                                                                                                                                    Mk 1, 12-15

 

- De wilde dieren in ons -

 

Beste vrienden,

 

Kleinigheden zijn van die dingen waar we graag overheen kijken. En daarbij weten we toch wel dat het venijn niet alleen in het detail, dus in de kleinigheden, schuil gaat, maar dat we dikwijls ook juist in die kleinigheden de sleutel vinden waarmee we een tekst beter kunnen begrijpen. Dat is ook zo met de woorden van het evangelie van vandaag.  Omdat bij Marcus het verhaal van Jezus’ bekoring veel beknopter wordt weergegeven dan bij zijn collega’s Mattheus en Lucas, loopt de lezer gevaar om die weinige woorden die hij over Jezus’ bekoring in de woestijn aanhaalt, gemakkelijk over het hoofd te zien.  

Daarom zou ik jullie aandacht eerst willen richten op de bedoeling die Mattheus en Lucas met hun beschrijving van de bekoring van Jezus in de woestijn hebben. Wat willen zij ons daar duidelijk mee maken? Dat Jezus van Gods geest de opdracht kreeg om het rijk Gods te verkondigen is een feit. En nu stelt zich de vraag HOE Hij die opdracht moet uitvoeren.  

Een eerste mogelijkheid, die doorheen de geschiedenis ook door veel staatslieden en heersers werd gekozen, is:  „Je kan ervoor zorgen dat de mensen genoeg te eten en een verzekerd bestaan hebben. Dan volgen ze je overal en kan je ze voor je winnen.”  – Het beeld dat daarbij past vinden we in het aanbod om stenen in brood te veranderen. Ook een tweede methode werd voortdurend toegepast: „door sensationeel en indrukwekkend op te treden kunt ge het hart van de mensen in uw macht krijgen. Gebruik die invloed om voor jezelf rijkdom en achting te verkrijgen.”   – ook daarvoor is er een beeld: „zonder schade te lijden van de hoogste trans van de tempel naar beneden te springen“. 

En ook de derde manier om mensen in je macht te krijgen werd en wordt, tot groot leedwezen van de mensen zelf, uiteraard nog steeds in praktijk gebracht: „de wereld wordt niet verlost door liefde, maar door een sterke, brutale hand. Vrij naar het motto: streef naar macht, hou ze onder de duim en druk al je plannen door.“ – en ook daarvoor hebben Mattheus en Lucas een beeld: het op de knieën neervallen om het kwaad te aanbidden. 

We weten nu dat al die methodes door Jezus werden afgewezen. Voor Hem is het duidelijk dat liefde niet samen gaat met oogverblinding, met dwang en geweld. Daarom kiest Hij, net zoals God zelf, de methode van het vrije, naar vertrouwen dingende, liefdevolle aanbod. Ondanks het gevaar dat die methode lastig, en maar in weinig gevallen succesvol, belooft te zijn, gebruikt Hij ze, omdat Hij weet, dat mensen, die op een dergelijke manier voor je gewonnen zijn, er uit innerlijke overtuiging en echte begeestering bij zijn.  

Van al dit vinden we echter geen woord terug in onze tekst van Marcus. Daar is alleen sprake van de bekoring waaraan Jezus door Satan wordt blootgesteld. Wij denken daarbij meestal automatisch aan een soort duivel, met horens, bokkenpoten en een puntige staart. Maar een dergelijke middeleeuwse karikatuur voldoet helemaal niet aan de Bijbelse uitspraak.  Satan – in het Nederlands „tegenstrever“ – komt in de Bijbel vooral voor als diegene die mensen beproeft, hen test, en hen uitdaagt in hun standvastigheid. Wij ervaren die tegenstrever dikwijls als een deel van onszelf, vooral dan wanneer we geneigd zijn om “rationeel berekenend“, in plaats van „liefdevol  vertrouwend“ te reageren; wanneer we er toe neigen om kwaad met kwaad te vergelden in plaats van onze tegenstanders te vergeven; of in onze algemeen menselijke neiging tot egoïsme.

Nu vinden we bij Marcus nog een detail dat door Mattheus en Lucas zo niet wordt weergegeven: “Hij leefde met de wilde dieren en de Engelen dienden Hem.”  Op het eerste ogenblik denken we bij “wilde dieren” aan de gevaren waar Jezus in de woestijn mee wordt geconfronteerd. Maar van een bedreiging van Jezus door roofdieren is in onze tekst helemaal geen sprake. Er staat alleen dat Hij met de wilde dieren samenleeft. Bovendien zou de toegevoegde zin dat de engelen Hem dienden helemaal niet passen in een beeld met dreigende wilde dieren.  Hoe moeten we dat dan wel verstaan?

Ik vind het de moeite waard om deze sterke en toch zo beknopt geschetste beelden iets nauwkeuriger te bekijken. Enerzijds zou je nu kunnen zeggen dat ze in het oude testament als tekenen van een nieuwe heilstijd werden gezien.  De profeet Jesaja spreekt immers ook van een vredig samenleven van mens en dier als de tijd van het heil is gekomen. Met andere woorden: Marcus maakt zijn lezers met deze beelden duidelijk, dat de tijd van het heil door de komst van Jezus is aangebroken.  Anderzijds kunnen we ook zeggen dat beide beelden een werkelijkheid beschrijven die wij mensen maar al te goed kennen, en wel binnen in onszelf. Het zou zich ook om de wilde dieren binnen in ons kunnen handelen; om de wilde, destructieve en agressieve aspecten van het menselijk karakter. Eigenschappen die we allemaal toch zo graag verdringen of wegstoppen.  Maar dat is voor ons mensen dikwijls moeilijk te verdragen, omdat we toch altijd veel liever een ander beeld van onszelf maken. En hoe komt dat? Ik denk dat ons probleem er vooral in bestaat dat we die wilde dieren en die engelen niet met elkaar in overeenstemming kunnen brengen.  Wij zijn er doorgaans van overtuigd dat we die wilde dieren in ons moeten opsluiten, bestrijden en vernietigen, omdat we alleen op die manier Gods boodschapper kunnen worden.  In onze ogen kan je het goede alleen maar krijgen als het boze is verdreven.  Maar Jezus toont duidelijk aan dat het ook anders gaat. Hij heeft niet alleen God en zijn medemensen bemind, maar Hij heeft ook zichzelf aanvaard, met het ganse veelzijdige gamma van zijn talenten en mogelijkheden. Hij heeft niets verdrongen, onderdrukt of uit zijn geest gebannen, maar Hij heeft ook de duistere kanten van zijn menselijke natuur aanvaard en in positieve zin veranderd.  Hij vecht in de woestijn niet met die wilde dieren, Hij doodt ze ook niet en probeert ook niet om hen weg te jagen.  Jezus verdraagt veeleer alles wat in Hem leeft en wat integraal deel uitmaakt van zijn mens zijn. Hij verdraagt ook al die kleine kantjes die wij bij ons als mens niet graag zien, omdat ze zo slecht passen in het beeld dat we van onszelf hebben. Maar: Jezus verzoent zich met zichzelf – hij leeft ook met die kanten van zijn mens zijn!  

En dat was alleen maar mogelijk omdat Hij juist daarvoor, bij zijn doopsel in de Jordaan, de stem van God had gehoord die Hem bevestigde: “Jij bent mijn geliefde zoon, in wie Ik vreugde vind.”    God vindt vreugde in deze mens – zoals Hij is. Hij wordt niet alleen maar geduld, niet alleen verdragen, maar door God zelf in volle liefde aanvaard. En die bevestiging, die liefdesverklaring van God, die geldt sinds de dag van ons doopsel, ook voor U en voor mij.  

Beste vrienden, met deze beelden mogen wij nu in de veertigdagentijd binnentreden. Ze zijn bedoeld als uitnodiging, maar ook als uitdaging om ook de woestijnperiodes in ons leven toe te laten: periodes waarin wij helemaal bij onszelf kunnen komen en waarin we onszelf ook moeten verdragen.  Wij moeten het aandurven om onszelf eerlijk, oprecht en ongeveinsd zelf te bekijken – met al die kanten die we graag mogen en op prijs stellen, maar ook met die kanten die we liever zouden wegmoffelen. Want wat we niet kennen, wat we verdringen of waar we van weglopen, kan onberekenbaar worden, een eigen dynamiek ontwikkelen en zo macht over ons leven krijgen. God stelt ons aan die ervaring bloot omdat Hij, ondanks al die wilde dieren in ons, ons liefdevol bekijkt en vreugde aan ons vindt. 

Mag ik dat echt geloven? In de weken die komen wordt ieder van ons afzonderlijk uitgenodigd om zich met zichzelf te verzoenen. Dan word ik uitgenodigd om met mezelf in vrede te leven. En dat kan ik alleen aan omdat God achter mij staat en tegen me zegt: “Jij bent mijn geliefde dochter, mijn geliefde zoon. In deze veertigdagentijd kan ik met zekerheid vaststellen of ik die boodschap alleen maar hoor, of me door die boodschap werkelijk met huid en haar, met lichaam en ziel laat aangrijpen. En ik kan leren dat Gods heil ook in mijn leven doorwerkt en er sporen achterlaat – maar dan moet ik wel bereid zijn om dat toe te laten en te aanvaarden. 

Amen