Aswoensdag (2009)

"Hij kent ons toch. Hij is niet vergeten
dat wij gemaakt zijn uit het stof van de aarde.
Mensen, hun dagen zijn als het gras,
zij bloeien als bloemen in het open veld.
Dan waait de wind en zij zijn verdwenen."

We zongen het daarnet met psalm 103 mee.
Het is een prachtig voorbeeld van een oud lied, dat aan één kant inderdaad "het oude liedje" is.
Dat wij mensen sterfelijk zijn, dat ons leven snel voorbij gaat en dat je zomaar door de wind kan lijken meegenomen, als stof van de aarde.
Het is het oude liedje, waar een ander bekend deuntje tegenin gezongen wordt, de eeuwen door: "Geniet van het leven, het duurt maar even".
Maar deze psalm zingt over meer dan over dergelijke oude liedjes. Deze psalm zingt aan de andere kant ook over: "duren zal de liefde van God".
Dat is het goede nieuws, het evangelie dat ons wordt verkondigd. Ook vandaag.
Ook al lijkt deze Aswoensdag ons vooral te bepalen bij de stof die wij zijn en waartoe wij zullen wederkeren.
Dat lijkt niet echt op goed nieuws. Niet op iets wat blij maakt.
En ook de woorden "bekeer je" of "keer je om" zijn ook niet meteen opbeurend. Je hoort er toch al gauw iets in van: 'Eigenlijk is je leven niet zo best, er gaan dingen verkeerd en je doet ook niet alles goed, eigenlijk moet het dus beter'. Een voor veel mensen deprimerende gedachte.
Het is níet wat deze dag ons wil zeggen. De boodschap is níet: mens je bent niet goed genoeg in Gods ogen.
Dat wij stof zijn, en eindig, vergankelijk, kwetsbaar en niet volmaakt, dat is op zich niet een verkeerd iets. Onze tekorten en onze verlangens, onze kracht, maar ook ons ziek kunnen zijn, onze zwakheden en ons aangevochten zijn, het hoort allemaal tot ons schepsel zijn.
Zo heeft God ons geschapen en anders niet.
Uit stof zijn wij gemaakt, uit klei van de aarde, soms zacht en week, soms ruw en stenig.
Daaruit zijn wij door God gemaakt, en duren zal zijn liefde, zingt de psalm. Voor mij zie ik dan altijd het beeld van de handen van een pottenbakker aan de draaischijf, volgend EN vormend de klei met geduld en aandacht.
Het is iets waar je mee kunt worstelen. Om je te laten vormen, je toe te vertrouwen aan Gods liefdevolle handen.
Juist in je kwetsbaarheid en moeiten, kan het een strijd en een opgave zijn om te aanvaarden dat je zo door God gewild en gemaakt bent, dit mens-zijn en geen ander.
Onze dagen als gras. Het oude liedje.
Maar het hoeft ons niet naar beneden te trekken. Want tegelijk is er meer dan dat.
Van het begin af aan klinkt het verhaal van Gods schepping, uit stof en klei vormde Hij de mens,
maar wel naar Zijn beeld en gelijkenis, maar wel met Zijn levensadem ingeblazen.
We zijn gemaakt om beeld van God te zijn, beeld en gelijkenis van Hem die leeft en liefde is,
en in ons ademt God zelf. Liefde die duurt.
Twee kanten zijn het van ons bestaan.
Het zijn ook de twee kanten die vaak aan ons trekken.
Het stoffelijke, hoe kwetsbaar of eindig ook, het blijft ons vaak maar bezig houden. Het materiele, alle gedoe onder de zon. Veel gesprekken gaan over geld en goed en we praten vaak mee.  Of we houden liever ons mond, stoppen onze pijn en vragen weg. We weten toch ook vaak niet het verdriet en de moeite van de ander. Aan de buitenkant toont het zich niet.
Soms denken we dat mensen hetzelfde zijn, maar vaak ook blijkt de ander zo anders. En we streven er naar ons veilig en fijn te voelen, ook te midden van de mensen.
En nog gevoeliger ligt het in onze relaties met de mensen van wie we houden - we willen zo graag dat die het goed hebben.
En zo sluiten we menig compromis en passen ons aan.
Maar de andere kant is, dat als we naar onszelf durven kijken en luisteren, dat we vaak een verlangen merken naar - zoals mensen dat zeggen- :  '.... wie je echt bent ..... naar wat er echt toe doet ...... ' Ook dat trekt aan ons.
Die spanning heb ik ook gelezen in het stukje evangelie van vandaag, het was maar een klein stukje, dus ik zal het nog een keer lezen, want het staat ook niet afgedrukt in uw liturgie:
Jezus zegt daar:
"Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde: mot en roest vreten ze weg en dieven breken in om ze te stelen. Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen. Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.
Het oog is de lamp van het lichaam. Dus als je oog helder is, zal heel je lichaam verlicht zijn. Maar als je oog troebel is, zal er in heel je lichaam duisternis zijn. Als het licht in jezelf verduisterd is, hoe groot is dan die duisternis! "
In dit stukje tekst wordt de spanning weergegeven als tussen hemel en aarde. Jezus houdt ons hier een spiegel voor. En de vraag is dan of we oog hebben voor wat bij de hemel hoort, bij wat van God is, bij wat duurt. Als je daar oog voor hebt, dan zal heel je lichaam, je hele stof dus, verlicht zijn. Een vlam in je bestaan. Een adem die leven doet.
En ik bleef zelf haken aan dat laatste: "als het licht in jezelf verduisterd is, hoe groot is dan die duisternis"!
En het raakte me en deed me denken aan situaties van mezelf, van mensen, waar het goddelijk licht in jezelf lijkt uitgegaan. God is er niet meer bij, zijn handen niet meer om je bestaan, lijkt het. Hoe koud kan het dan zijn om je hart, hoe eenzaam voel je je, zo zonder innerlijk licht of warmte of vuur.
En juist dan kan Aswoensdag voor ons een blijde boodschap hebben.
Hoe zwart de as ook kan zijn - en ik denk aan Australie waar branden zoveel hebben verwoest, zwarte bomen, dieren en mensen omgekomen, uitgebrande huizen. Stof, niets anders dan zwarte stof en as.
Maar dan toch, onder die as - iedereen weet het wel- zitten vaak nog kiemen en kleine tekenen van nieuw leven.
Het is zo'n akelig en tegelijk zo'n prachtig beeld.
Vandaag worden wij geconfronteerd met ons eigen stof zijn en met as worden wij bedekt,
en tegelijk mogen we horen dat het ook bij ons zo is, dat het er om gaat wat er onder zit,
om de mens te worden waartoe God ons bedoelt.
Zijn handen om ons als klei, ondanks alle weekheid of steentjes,
en hoe Hij ons het leven geeft,
iets van adem en innerlijk licht, iets van vuur dat onszelf en anderen kan verwarmen,
iets van nieuw leven.
Dat zouden we kunnen meenemen in deze vastentijd.
Een oefening om niet te kijken naar wat niet goed is. Om niet te kijken naar wat niet is en wat niet kan of niet mag, en dat is vaak veel. Maar om je ogen te richten op wat wel mogelijk is, wat groeien kan, wat wel goed is. Om te ontdekken letterlijk, waar licht en liefde schuilt, in jezelf, in de mensen om je heen. En dat naar boven halen en versterken. Wat je voor elkaar en voor anderen kan betekenen.Vonken van Gods licht en liefde die duurt.
Geen oud liedje is dat wat we gedachtenloos mee kunnen zingen, maar steeds weer een nieuw lied,
telkens weer vergt dat oefenen, elk jaar minstens veertig dagen.
Waartoe ons ook een nieuwe lofzang in de mond wordt gegeven, zoals we zo direct zullen zingen, omdat  "Gij Heer, het zijt, die onderhoudt de vlam van ons bestaan."
Dat we zo mogen toeleven naar het licht van Pasen.
Amen.