Pinksteren (2015)

We hebben vandaag twee pinksterverhalen gehoord: eerst het bekende verhaal uit Handelingen, daarna de zending van de Geest volgens Johannes, op Paasdag zelf. Dat laatste eindigt in een uitspraak waarin de Geest verbonden wordt met vergeving. Dat zijn we niet zo gewend en wat Johannes Jezus in de mond legt roept wel vragen op. Daarover later in deze overweging. Eerst lezen we nog eens aandachtig het bekende verhaal uit Handelingen over het gebeuren van Pinksteren.
Toen de dag van het Pinsterfeest aanbrak...
Het Pinksterfeest was een bedevaartsfeest. Oorspronkelijk een oud oogstfeest, de afsluiting van de paastijd. Mettertijd werd het ook het feest van gave van de Wet op de Sinaï. Voor christenen is het het feest van de oogst van wat Jezus gezaaid had, het ontstaan van de grote kerkgemeenschap: wel 3000 man lieten zich die dag dopen volgens Handelingen. De gave van de Wet wordt hier de gave van de Geest. Gods gave dringt nu naar binnen, in het hart van de mensen.
waren ze allen bij elkaar.
Volgens Handelingen waren dat wel 120 mannen en vrouwen. Op zich al een drukte! Na de dood van Jezus waren de leerlingen juist uit elkaar gegaan: gevlucht, naar huis en werk gegaan,... Ze hebben elkaar blijkbaar weer opgezocht. Dat is waarschijnlijk geleidelijk gegaan. In zijn Jezusboek beschrijft Schillebeeckx dat proces en de prominente rol die de vrouwen daarin waarschijnlijk hadden. Geleidelijk hebben ze met en aan elkaar ontdekt dat het niet gedaan was, dat Jezus leefde. De Geest heeft hen al bij elkaar gebracht. Nu breekt dit geloof door in een sterk beeld.
een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis geheel vulde....een soort vlammen ...als vuurtongen...
Dit kennen we: God die aanwezig is in storm en vuur op de berg Sinaï als Hij de Wet aan Mozes geeft, het visioen van Jesaja waarbij de hele tempel trilt en vol rook staat door Gods aanwezigheid. Hier gebeurt dit echter in een huis, in de gewone mensenwereld. God komt alsmaar dichterbij.
en zich op ieder van hen neerzetten.
Het gebeurt bij ieder persoonlijk. De gave van de Geest overstijgt de personen, maar betreft ieder afzonderlijk, individueel. Ieder heeft zijn eigen inbreng in het groepsgebeuren.
begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen ...
Hoe ging dit? We zijn zo gewend aan dit verhaal dat we hier gemakkelijk overheen lezen, maar het is eigenlijk moeilijk voor te stellen. Wat een chaos als 120 man in allerlei talen door elkaar gaan spreken! Dat spreken in vreemde talen, meestal onverstaanbare wartaal, was bekend en gebeurde blijkbaar in de christengemeenten, bijvoorbeeld in Korinte. Het was een soort extase, zoals die wel meer voorkomt in religies. Paulus relativeert de waarde daarvan en gaat er tegenin in zijn eerste brief aan die gemeente. Lucas geeft het fenomeen hier een draai: het gaat hier niet meer zozeer over het spreken in vreemde talen, maar om het verstaan in vreemde talen wat die apostelen en andere leerlingen te vertellen hebben. Het wilde enthousiasme wordt een wonder van communicatie.
uit ieder volk op aarde: Parten, Meden, Elamieten,...Joden en proselieten
Mensen van overal worden hier met elkaar verbonden. Niet alleen Joden, ook proselieten die als niet-Joden zich bekeerden. Een opstap naar de heidenen die in de loop van Handelingen opgenomen worden in de christelijke gemeenten en ook de Geest ontvangen. We kunnen de lijn doorstrekken naar al die vreemdelingen met vreemde talen, gewoonten en godsdiensten die Europa belagen.
Allen verstaan de taal die hier gesproken wordt. Dat is niet het Grieks dat de internationale voertaal was, dat is ook niet het Hebreeuws van het Joodse geloof, het is de taal van ongeletterde Galileeërs die een taal wordt voor allen, de taal van de Geest, de taal van het hart.
De Geest komt over iedereen die daar aanwezig is. Maar welke geest is dit? Wat brengt hij teweeg? De lezing uit Johannes 20 zegt ons daarover wat.
 
Geest van vergeving
 
Volgens het evangelie van Johannes heeft Jezus de Geest al over zijn leerlingen geblazen op de avond van Pasen, met de woorden 'Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.' De Geest wordt hier opvallend verbonden met vergeving.
In de klassieke interpretatie van deze uitspraak betekent dit dat Jezus zijn leerlingen de macht geeft om wel of niet te vergeven. Zo heb ik het ook geleerd: dit is de instelling van het sacrament van de biecht, de macht om te oordelen over het geweten van mensen.
Je kunt deze uitspraak echter ook anders lezen, als een opdracht, een verantwoordelijkheid: het is voortaan de taak van de leerlingen, de mensen, om Gods vergeving te realiseren. God vergeeft niet buiten mensen om. Dit past veel beter bij de Geest van Jezus. Eerder in zijn evangelie (Joh.14) zegt Jezus dat de Geest in herinnering zal brengen wat Jezus zei. Ik denk daarbij ook aan wat hij deed: eindeloos vergeven aan zondaars en tollenaars, hoeren en misdadigers. Ook in het gebed dat Jezus meegaf aan zijn leerlingen en dat wij in iedere viering bidden of zingen, heeft de vergeving een prominente plaats. Wie de Geest van Jezus in zich toelaat kan vergeven.
Hoe kun je deze verbinding begrijpen? Wat houdt ze in?
Ze houdt niet in dat je vergeet wat je is aangedaan, niet 'zand erover'. Dat is vervlakking, niet het werk van de Geest.
Vergeving houdt in dat je de onvolmaaktheid van mensen accepteert. Willen we ons geloof bewaren in de wereld zoals hij is, dan moeten we de onvolmaaktheid van de wereld accepteren. Het paasgeloof houdt in dat we het goede blijven zien ondanks kwaad en lijden. Vergeving houdt in dat we deze houding doortrekken naar mensen. Dat we het goede blijven zien in mensen die fouten hebben gemaakt, ook grove fouten, mensen die ons pijn hebben gedaan. In boeken van gevangenispastores die ik de laatste jaren las kwam dit steeds weer terug: een pleidooi om ook in misdadigers het goede te blijven zien. Alleen zo geven we deze mensen de kans op een nieuw begin. Zo kunnen ze ook zelf geloven in hun eigen mogelijkheid van een goed leven.
Deze vergeving houdt ook in dat je jezelf kunt vergeven, dat je je eigen onvolmaaktheid durft erkennen en kunt accepteren.
Mensen die dit zelf hebben meegemaakt getuigen ervan dat dit vergeven een bevrijding is. Bevrijding uit een vicieuze cirkel van kwaad en haat, opstanding uit vastgelopen relaties.
Dit vergeven is het werk van de Geest waardoor we delen in Gods scheppende kracht. De kracht die voorafgaat aan alle verschillen tussen mensen, aan alle grenzen en regels. Deze verschillen zijn er en blijven er, de grenzen en de regels zijn nodig om samen te leven, maar ze komen ná de eenheid en de vrijheid die Gods Geest inhoudt.
In deze Geest vinden we een taal die verstaanbaar is voor alle mensen, die communicatie en vrede tussen mensen mogelijk maakt, de taal van de liefde.
 
Soms is dit een feest, een Pinksterfeest, met geliefden en verwanten, met mensen van eigen volk, ras en cultuur, met gelijkgestemden van overal. Dikwijls, zeg maar meestal, is het een opdracht tegen het buikgevoel in, een opdracht van lange adem, iets dat steeds opnieuw te leren en te oefenen is. Het is de kunst om het vurig enthousiasme om te zetten in communicatie, in warme adem.
Vele jaren geleden brachten eigen ervaring en het verhaal over Elia (1 Kon. 18-19) mij tot een gedicht waarin ik dit verwoordde. Hierbij het begin en het slot daarvan.
 
Ik heb een vuurbol in mijn lijf,
soms rustig smeulend
ergens onder in mijn buik,
soms gaat hij heftig gloeien
en klimt langs maag en hart
naar boven, vult mijn longen
tot mijn mond.
Dan is mijn adem gloeiend heet
mijn woorden vonken vuur...
 
Hoe leer ik door dit vuur te gloeien
zonder anderen te verschroeien,
zodat door zachte bries gedreven,
ik vuur in anderen op doe leven?
 
Doorheen woestijnen moet ik gaan,
om op de berg van God te staan,
in stilte als Elia leren
de felle gloed tot warme adem keren.