Zevende zondag van Pasen (2009)

Inleiding

'Exaudi Domine, vocem meam, qua clamavi ad te.' 'Heer, luister naar mijn bidden en smeken.' In de inleidingzang komt een woord herhaaldelijk voor: 'Vultum tuum,' 'Uw gelaat, Uw aangezicht.' 'Uw gelaat, Heer, wil ik aanschouwen.'
Waarom wordt door de Kerk het hart van de gelovigen zo op het gelaat van God gericht? Waarvoor anders gaan mensen naar de Kerk dan om zijn gelaat te zoeken en zo zijn liefde te ontvangen. Waarom zoeken wij het gelaat van een ander? Waarom kijken wij altijd eerst naar iemands gezicht? Toch zeker om contact te maken; om te zien hoe die ander contact heeft met mij; om het contact dat hij of zij met mij heeft, te beantwoorden met mijn contact met hem of haar. Wij zoeken God dan ook omdat wij weten dat God óns zoekt. Zo is het altijd al geweest en zo zal het ook altijd blijven: aan onze aandacht voor Hem, gaat zijn aandacht voor ons vooraf. God heeft ons het eerste lief gehad (1 Joh 4,19). Daarom laten wij onze kinderen dopen. Hoe vroeg wij er ook bij zijn met onze liefde voor Hem, en we zijn nooit te vroeg, zijn liefde is er altijd nog eerder. Hij is ons altijd voor. En hoe oud we ook zijn, of hoe ver we ook van Hem zijn afgedwaald, Hij blijft ons altijd met zijn liefde voorgaan. Dat kunnen we zien bij de barmhartige vader, die de eerste stap zet in de richting van zijn verloren zoon, om hem te omhelzen "Zijn vader zag hem al in de verte aankomen", hij was hem met zijn barmhartige liefde voor, "en door medelijden bewogen snelde hij hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk" (Lc 15,20).
Dat is eigenlijk wat wij met het doopsel vieren, en op zondag willen wij nog eens opnieuw door ons heen laten gaan hoe Gods liefde ons is voorgegaan, en dat wij met liefde hier op aarde zijn gezet. Wij zijn gewenst en gewild door zijn liefde!

Homilie

In het evangelie horen we, hoe Jezus Zich in gebed toewijdt aan zijn Vader omwille van zijn leerlingen: "Heilige Vader, omwille van hen wijd Ik Mij aan U." Toewijden! Wat wil dat zeggen, als iemand zich aan iets of iemand toewijdt? Een toegewijd iemand is iemand die met heel zijn hart ergens mee bezig is, er bij betrokken is. Dat is iets moois. Of dat nu een kind is die in zijn spel verdiept is, of een jongen of meisje dat met het huiswerk bezig is, of iemand die ingetogen door de gang loopt, nog helemaal in gebed, of als iemand in een religieuze gemeenschap zich helemaal toewijdt aan God.
Hier is het Jezus die Zich toewijdt aan de Vader, en dat doet Hij met zijn hele leven, tot en met de dood toe. En zo wil Hij dat ook wij in de waarheid aan de Vader toegewijd zijn. "Ik wijd Mij aan U, opdat ook zij in de waarheid aan U toegewijd mogen zijn."

Maar wat de Schrift ons eigenlijk wil openbaren, is niet zozeer dat wij aan God of aan Jezus toegewijd moeten zijn, maar dat God als een Vader toegewijd is aan zijn kinderen. Het is misschien wat vreemd om te spreken van toewijding van God aan de mensen, maar zelf vergelijkt Hij Zich graag, of laat Hij zijn Zoon Hem vergelijken met de werkzaamheid van een goede herder, die hart heeft voor zijn schapen, die aan het welzijn van zijn schapen is toegewijd; aan de verloren schapen nog meer dan aan de gezonden, meer nog aan de schapen die van de kudde zijn afgedwaald dan die bij de kudde gebleven zijn. De goede herder die het verloren schaap achterna gaat totdat Hij het vindt en het dan op zijn schouders terugbrengt naar de kudde.
Ook laat God Zich graag vergelijken met de vader van de verloren zoon, die zijn hart toont voor zijn zoon, vol medelijden. "Hij ziet hem al in de verte aankomen, snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk" (Lc 15,20). Dit nu zijn echte taferelen van Gods toewijding aan de mensen, ook aan de mensen die het niet verdienen.

Maar een toegewijde God trekt toegewijde gelovigen naar Zich toe. Jezus, die Zich vol liefde toewijdt aan de Vader, geeft een antwoord op de toewijding van de Vader aan de Zoon én aan de wereld, aan de mensen. Wij spreken over onze godsdienst en daar bedoelen wij mee dat wij God dienen, maar eigenlijk is dat bij onze godsdienst niet het allereerste, het allerdiepste. Ten diepste zijn wij het niet die God dienen, maar is het God die óns dient. Onze dienst aan God bestaat erin, dat wij de dienst van zijn liefde aannemen. Dat is wat wij in de eucharistie vieren. Hij heeft ons het eerste lief gehad. De leerlingen laten dan ook de keuze van de opvolger van Judas in het apostelambt afhangen van de heilige Geest: "Gij, Heer, die aller harten kent, wijs degene aan die Gij van deze twee hebt uitverkoren om de plaats te bezetten in dit dienstwerk en apostelambt." En tenslotte staat er dat "Mattias werd toegevoegd aan de groep van elf apostelen. Wij zouden zeggen: Daar begon hij deel van uit te maken. Maar nee, hij werd toegevoegd (door God). Dat staat er wel niet zo uitdrukkelijk, maar dat wordt wel bedoeld. Dat is een 'passivum majestatis', waarin dus de activiteit van de majesteit van God op verholen wijze, maar toch duidelijk herkenbaar wordt weergegeven.

Vooraf moest die nieuw te benoemen apostel wel aan twee voorwaarden beantwoorden. "Dus moet een van de mannen die tot ons gezelschap behoorden gedurende de tijd dat de Heer Jezus onder ons verkeerde, vanaf het doopsel van Johannes tot de dag waarop Hij van ons werd weggenomen, met ons getuige worden van zijn verrijzenis." Die nieuwe apostel moest er dus bij geweest zijn vanaf het doopsel tot en met de verrijzenis en de Hemelvaart.
Dat zijn twee handelingen in het leven van Jezus, waarin aan Hem gehandeld werd door Johannes de Doper, dwars tegen diens eigen goedvinden in. Het doopsel: "Ik heb úw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?" (Mt 3,14), en de verrijzenis, die ook al in dat doopsel plaats vond: "De hemel ging open en hij zag Gods Geest neerdalen in de gedaante van een duif en over zich komen; en een stem uit de hemel sprak: "Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb" (Mt 3,16.17; vgl. Mc 1,9-11; Lc 3,21-22). Het moest geopenbaard worden dat God zijn Zoon geeft, zijn liefde. Meer geven aan liefde dan zijn Zoon en de heilige Geest kon Hij niet.

We worden helemaal omgeven door de liefde van de Vader, en dat is dan ook het thema van de hele brief van sint Jan, waaruit de laatste zondagen steeds werd voorgelezen. Ook vandaag weer: "Als God ons zozeer heeft liefgehad moeten ook wij elkaar lief hebben." Aan onze liefde voor elkaar gaat de liefde van God aan ons vooraf. Wij verblijven in Hem, zoals Hij verblijft in ons. Aan ons verblijven in Hem gaat zijn verblijven in ons vooraf.
De Vader heeft ons zijn Zoon geschonken en daarmee heeft Hij ons álles geschonken. God is liefde. Geloven in God is geloven in de liefde van God. Hij is begonnen met zijn liefde te geven en Hij gaat er mee door, ook als wij het verkorven hebben en zijn liefde niet beantwoorden.
Als wij ons geloof belijden, hetgeen wij nu willen gaan doen in de geloofsbelijdenis, wat doen we dan anders dan ons geloof belijden in de liefde van God.