Zo zend ik hen in de wereld (2009)

Een dame ging met jongeren naar Amsterdam. Ze ontmoette een grote struise man uit een Afrikaanse gemeenschap. Deze stelde voor over haar te bidden. Hij dwong haar te knielen, legde zijn zware handen over haar en bad. De vrome Gentse dame, onwennig bij dit gebeuren en vrezend dat zij in de handen van een sekte was gevallen, zei naderhand: "Maar ik heb ondertussen tegen gebeden."

Voorbidders en tegenbidders? We moeten geen mensen bepreken, noch ze "overlezen". Maar we mogen hen steeds in ons gebed aan de Heer aanbevelen. We mogen dankbaar zijn als iemand voor ons bidt en wij voor hen en anderen.

De afscheidsrede van Jezus bevat het hoogpriesterlijk gebed. Jezus bidt in aanwezigheid van zijn leerlingen tot zijn hemelse heilige Vader. Hij opent voor hen in het cenakel zijn intentieboek. Het is interessant een intentieboek te doorbladeren en er de veelvuldige zorgen van mensen te lezen.

Voor welke intenties bad Jezus tijdens die zwaar geladen avond? Een van zijn leerlingen was hem aan het verraden. Jezus voelt de duisternis van die nacht en de vijandschap van de wereld. Wanneer het hogepriesterlijk gebed later gelezen wordt en misschien herschreven, leven zijn leerlingen evenzeer in moeilijke tijden. Gaan ze één blijven? Zullen ze stand houden in de vervolging? Zullen ze niet bezwijken en depressief worden?

De evangelist noteert drie grote intenties, waarvoor Jezus bad. Allereerst de eenheid tussen zijn volgelingen. Geen oppervlakkige eenheid, maar een eenheid die haar wortels heeft in deze tussen Vader, Zoon en Geest. Jezus bad dat zijn volgelingen bevrijd mogen zijn van het kwaad. Hij zei niet dat zij geen zorgen zouden kennen, maar hij bad dat het kwaad hen niet zou overweldigen. Tenslotte vroeg hij dat zij stand zouden houden in de waarheid.

Zijn gebed gelijkt op het onzevader. Jezus richtte zich tot de Vader, de Heilige. Bidden is van blikrichting veranderen. Jezus ziet zijn leerlingen en volgelingen in relatie met zijn Vader. Hij vertrouwt hen toe aan de Naam van zijn Vader. Wat wij aan God toevertrouwen, dat is bij Hem wel bewaard.

Wij heiligen Gods naam, wanneer wij de eenheid tussen de Vader en de Zoon erkennen en deze eenheid tussen mensen bevorderen. Gods Rijk komt dan dichterbij.

Jezus leert ons bidden om wat noodzakelijk is voor het leven van elke dag. Hij bad in het Onzevader voor het dagelijks brood. In zijn afscheidsrede bedoelt Jezus met dagelijks brood het woord van God, dat Hij zelf heeft gesproken en doorleefd. Zijn woord voedt de waarheid en verdrijft valse schijn. Jezus bad opdat zijn volgelingen stand zouden houden in de waarheid. Dat zij zouden groeien in waarachtigheid en dat hun binnenkant en buitenkant zouden samenvallen.

Zoals in het Onzevader, bidt Jezus bij zijn afscheid dat zijn volgelingen van het kwaad bevrijd mogen zijn. Wij moeten de wereld niet ontvluchten. Christenen delen in de vreugde en het leed van deze wereld. Zij mogen er zonder complexen in wonen, want zij geloven dat Gods Geest er in werkt en er een weg tot vrijheid opent. "De ware biotoop voor een christen is de wereld. De wereld zoals deze is, anoniem, veelvuldig en pluralistisch, onverschillig, onrustig en zenuwachtig, voortdurend op zoek naar zin en geluk, getekend evenzeer door veel lijden, maar toch niet bereid om te wanhopen. Christenen leven niet in een natuurreservaat" (Kardinaal Danneels).

Tijdens de Europese ontmoeting van Taizé leidde pater Henri Madelin s.j. een workshop in de Sint Michielskathedraal: "Een nieuw kompas; God vinden betekent niet de aarde ontvluchten." Hij legde zijn talrijke toehoorders een tekst voor van Dietrich Bonhoeffer uit het jaar 1929: "Zelfs al wil hij naar God gaan, de christen blijft gebonden aan de aarde. Ook hij is, samen met de anderen, onderworpen aan de wetten van deze wereld en moet leven met de schijnbare tegenstrijdigheid dat deze wereld ons niet de keuze laat tussen goed en kwaad, maar tussen kwaad en kwaad en dat God ons desalniettemin, zelfs doorheen het kwaad, naar Hem toe leidt.

Het is enkel doorheen de diepten van deze wereld, enkel doorheen de stromen van het menselijk bewustzijn dat de mens iets van de eeuwigheid kan aanschouwen. De mens die het aardse wil ontvluchten, de moeilijkheden van het heden wil ontwijken, verliest de oneindig mysterieuze krachten die hem overeind houden.

De aarde blijft onze moeder, zoals God onze vader blijft, en enkel hij die trouw blijft aan de aarde wordt door haar opnieuw in de armen van de Vader overgedragen. Ziehier de lofzang der lofzangen van de christen, ontstaan uit de aarde en haar ontreddering."

In zijn afscheidsrede bidt Jezus om vreugde. Hij wenst dat zijn volgelingen ten volle in zijn vreugde delen. Nu al, zelfs als de nacht zo duister is. Tijdens een gespreksgroep van hoogbejaarde religieuzen zei een negentigjarige zuster: "Het enige criterium om te weten of ik op God vertrouw en Hem liefheb is mijn glimlach en mijn vreugde."