Biddenderwijs

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
We hadden gelezen en gebeden. Toen was het de beurt aan de kinderen: met een brandende kaars in de hand kwamen ze rond de doopvont staan. Als een herinnering aan hun eigen doop. Het water werd uitgesprenkeld naar noorden zuid, oost en west. En toen volgde de uitnodiging aan de dopeling om dichterbij te komen: "Peter, kom naar de bron van leven." De peettante keek heel verwonderd, keek naar het kind en opnieuw naar mij en zei toen: "Maar hij kan nog helemaal niet lopen."
Zo hulpeloos laat Jezus zijn leerlingen achter. Hij is met hen opgetrokken. Hij heeft met hen gesproken over het rijk Gods, maar eigenlijk zijn het wat geloven betreft, nog kinderen die op de arm gedragen moeten worden. Ze zijn wel in de wereld, zegt Jezus zelf over hen, maar ze zijn niet van de wereld; ze weten nog niet hoe ze daarin met de dingen moeten omgaan.

Ik neem u mee naar een spoorwegstation. Daar kun je zo'n beetje zien wat ik bedoel: mensen, die zich in die wereld thuis voelen en mensen, die daar helemaal vreemd zijn. De eerste weten waar ze moeten zijn, wanneer hun trein vertrekt en welk het juiste moment is om in te stappen. Je ziet er ook mensen, die zich geen hemelse raad weten. Ze moeten zes keer vragen of ze wel goed zijn en of dit wel de trein is die naar Utrecht vertrekt. Als ze er eenmaal in zitten, blijven ze zenuwachtig of ze wel goed zijn. Het zieligst zijn degenen, die sjouwen met veel te zware koffers. Op spoor één ontdekken dat ze op zes moeten zijn. Of vreemdelingen, die de taal niet ver¬staan, die niet kunnen lezen wat de aanwijsborden aangeven. Wel in de wereld maar niet van de wereld.

Zo waren de leerlingen toen Jezus hen moest achter laten. Op dat moment wijst Jezus op het gebed. Hij zegt niet: je moet bidden, dan komt het wel goed. Als een laatste redmiddel, als we anders niets meer weten: bid nou maar..! Nee, Jezus gaat zelf aan het bidden. Als Hij bidt, dan bidt Hij niet vaag: ergens bestaat er wel een God; ik kan niet geloven dat er niks is... Als Hij bidt dan heeft Hij het tegen een zeer persoonlijke God en Vader, die in zijn leven een duidelijke plaats inneemt; die God heeft zijn hele leven bepaald, toen Hij werd opgeroepen van huis weg te gaan en rond te trekken door het land. Dan spreekt Hij over een zeer persoonlijke vader, die hem uitgekozen heeft om goed te doen tussen mensen en daar alles voor over te hebben. Zijn leven wijst niet naar nergens en loopt niet uit op niets, maar naar de God, tot wie Hij zich in zijn gebed richt. Die persoonlijke verhouding tot een vader waarmee je kunt spreken van mens tot mens, wil Hij ook meegeven aan zijn leerlingen.

Biddenderwijs wordt Hij zelf sterk voor de moeilijke dagen die komen gaan. Biddenderwijs hoopt Hij dat zijn leerlingen sterk zullen zijn in alle verwarring, die er op dat moment was en die niet op zal houden zolang er een aarde is en zolang er mensen zijn. Biddenderwijs zijn mensen niet van deze wereld maar maken zij van deze wereld een weg, waarlangs het goed is om te gaan en in te leven.
Het valt niet te bewijzen, dat wij gehoord worden in onze gebeden en toch zijn er talloze mensen die inderdaad die ervaring hebben: als ik mijn geloof toen niet gehad had, als ik toen niet had kunnen bidden, dan was ik nergens geweest. Het is niet te bewijzen voor anderen, maar we moeten zuinig zijn op dat gevoel gehoord te wor¬den, met ons gebed terecht te komen, want het kan ons van dienst zijn in goede en kwade dagen.