7e Paaszondag B (2006)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 419 niet laden

Op wie lijken de kinderen? Op vader of op moeder? Het is een vraag, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk; het is een vraag die onder mensen vaak aan de orde wordt gesteld: Is 't meer papa of is 't meer mama?

In het gezin van Isaäk en Rebekka is het antwoord op die vraag op wie de beide jongens, Esau en Jakob, lijken wel duidelijk denk ik. Het zijn tweelingbroertjes, maar wàt een verschil tussen die twee! Esau, die het eerst ter wereld kwam, is een behaarde jongen en een natuurmens, een echte màn, een jager. Onmiskenbaar is hij voor zijn vader Isaäk diens stamhouder, de zoon aan wie hij de zegen en de belofte van God die Isaäk zelf van zijn eigen vader Abraham heeft overgedragen gekregen; voor Isaäk is het vanzelfsprekend dat hij die zegen en belofte zal overdragen aan Esau - want hij is immers de eerstgeborene ... Maar het verhaal gaat: zijn tweelingbroertje Jakob hield Esau bij z'n hiel vast toen hij bij de geboorte vlak ná hem uit de moederschoot floepte. In dat allereerste ogenblik van hun beider leven wordt zó de hele dramatiek van de onderlinge verhouding van de beide broers en van de dramatiek van hun leven reeds getekend. Want Jakob zal zijn broer op een hele beroerde, minne, valse manier pootje lichten - daartoe aangezet door hun moeder Rebekka van wie Jakob duidelijk de lieveling is. Hij is een moederskindje, een gladde jongen; glad van huid en glad van manieren. Op slinkse wijze ontfutselt hij de vaderlijke zegen, die slechts één maal en onherroepelijk gegeven kan worden van zijn broer Esau die 't nakijken heeft, die achter het net vist. We hebben 't zo-even gehoord: "Zegen mij, zegen ook mij, vader!" Hartverscheurend klinken zijn woorden, die mij door merg en been gaan moet ik zeggen, nadat bij Esau de schellen van de ogen zijn gevallen en hem in volle omvang duidelijk is geworden wat voor een loer zijn broer en zijn eigen moeder hem hebben gedraaid.

Onze God is "de God van Abraham, Isaäk en Jakob". Zij zijn de drie zogenaamde "aartsvaders". Is het niet schokkend, veelgeliefden, hoe de laatste, Jakob, in dat rijtje terecht is gekomen? Jakob is een bedrieger en toch wordt God's zegen en belofte áán hem gegeven en dóór hem verder gegeven ... Mensen, wat is dat voor een God, een onrechtvaardige God, die zich zo'n min gedrag ook nog aan lijkt te laten leunen, ja die er akkoord mee lijkt te gaan en het lijkt te sanctioneren zelfs - zoals Hij zoveel flagrant onrecht in onze wereld en in onze levens gewoon lijkt te laten passeren. Hij doet er niets aan, God. God zwijgt. En kan ons dat, veelgeliefden, niet tot grote wanhoop en wóede drijven - zoals we zien dat bij Esau gebeurt

Veel mensen zijn ervan overtuigd dat van zulk flagrant onrecht ook binnen onze rooms­katholieke kerk sprake is wat betreft het priesterschap. Gewone mannen, mannen met vrouw en kinderen, die mógen geen priester worden. Die mogen geen priester méér worden, want in de begintijd van de kerk, in de apostolische tijd, was dat nog wèl het geval. Als leiders van de christelijke gemeenschappen kwamen toen alléén in aanmerking mannen die hun eigen huisgezin goed wisten te bestieren; mannen met een harmonisch gezin zeg maar. In de loop van de tijd echter is die functie, van leider van de christelijke gemeenschap, uitsluitend een zaak geworden van de ongehuwde, de zogenaamde celibataire man, van mannen die vaak meer op Jakob dan op Esau lijken. Vrouwen komen in het verhaal van de christelijke gemeenteleiding al helemaal niet voor - terwijl Jezus toch omringd werd door véle, soms met naam en toenaam in de evangeliën genoemde vrouwen - denk maar aan Maria Magdalena die wel de "apostel der apostelen" wordt genoemd ... Vele eeuwen hebben mensen bij deze ontwikkeling en gang van zaken in de kerk misschien niet zo stil gestaan, maar in onze tijd zijn er velen die zeggen: Het is ónrecht en verkeerd dat gekwalificeerde vrouwen en gehuwde mannen geen priester kunnen zijn in de katholieke kerk. In de tijd van mijn eigen priesterwijding, twaalf jaar geleden nu, heb ik dat zelf heel sterk zó gevoeld mensen: dat ik mij misschien met het priesterschap, zoals Jakob, wel iets toeëigende waar vele vrouwen en gehuwde mannen a priori veel meer récht op hebben en waar ze misschien wel veel geschikter voor zijn dan ik. Onze eerste lezing van vandaag, over Jakob en Esau, was dan ook de eerste lezing tijdens mijn zogenaamde "eerste mis" op 13 maart 1994 in de Nicolaaskerk hier in Amsterdam.

Het priesterschap zoals dat nu gestructureerd is binnen onze kerk, moet de kerk daar op die manier wel mee dóórgaan? Want wordt onze kerk inmiddels niet een soort genekt door dat priesterschap? Soms krijg je de indruk dat binnen onze Roomse kerk de wal het schip keert wat dit betreft: dat de kerk er is voor de priesters in plaats van de priesters voor de kerk, en dat de priesters het schip van de kerk bijna doen zinken. Vraagt onze tijd niet om een ander soort priesters? Afgelopen donderdag, op Hemelvaartsdag, was ik in Zwolle bij de diakenwijding van Michael Buykx door de Utrechtse hulpbisschop Gerard de Korte. Michael is in het dagelijks leven leraar op een middelbare school. Hij is vader van drie nog kleine kinderen. Zijn vrouw Hanna is arts. Samen hebben ze zich een aantal jaren ingezet voor de arme, zieke en door Aids bedreigde mensen in Angola. Ik moet U zeggen mensen: Het was voor mij goed om daar bij te zijn, bij die diakenwijding van Michael. Ik kreeg er het gevoel door dat aan Esau alsnog een begin van recht wordt gedaan.

En intussen moeten wij het zien uit te houden in een wereld en in een kerk die zeker niet perfect en volmaakt zijn, ja, waarin wij geconfronteerd worden met structureel onrecht, met onrecht dat sterk wortel geschoten heeft in en onder de mensen, ja dat soms ingebakken lijkt. Mensen, hoe lukt ons dat? Hoe kunnen we verder met de wereld, met de kerk, met ons gemankeerde zelf en met de anderen waarop soms zoveel valt aan te merken? U weet, veelgeliefden: We kunnen de zaak niet overbakken. Je moet altijd uitgaan ván en verdergaan mèt hoe het nu in concreto is. Je moet verder met wie jij op dit moment bent, met je leven zoals dat er nu uitziet, met de mensen zoals ze nu voor je zijn, met déze onvolmaakte wereld en met deze kerk waarop we soms zoveel kritiek kunnen hebben.

Wat mij betreft mensen: Ik denk dat we dan toch hoop en moed kunnen putten uit de zegen zoals die door een samenloop van omstandigheden, ja door list en bedrog aan Jakob werd toevertrouwd: "Vervloekt wie jou vervloekt, gezegend wie jou zegent." Jakob, wie hij verder ook is, mag drager zijn van God's zegen. God dráágt en steunt zijn leven. God staat pál voor hem. God is voor Jakob als de stevige grond waarop wij staan. Ja, veelgeliefden, inderdaad zoals "de grond waarop wij staan". Want wij staan op dezelfde grond van God's zegen aan Jakob. Esau kan, als hij wil, op diezelfde grond staan. Heel Israël staat op die grond. De kerk staat op die grond. De priesters staan op die grond. U en ik staan er op. U weet: In de eerste eeuwen van haar bestaan heeft de kerk vervolgingen gekend. Christenen werden vervolgd en moesten lijden omwille van hun geloof. En niet iedereen was dan even dapper. Sommige christenen hebben Christus en hun geloof in Hem dan ook geloochend, zijn niet trouw gebleven. Soms gold dat ook voor bedienaren van de kerk, bisschoppen bijvoorbeeld. Dan zat men vervolgens met het probleem: Hoe zit 't met de sacramenten die door zulke zwakke en afvallige broeders zijn toegediend? Zijn die wel "geldig"? Ja, heeft de kerk destijds op een concilie, een kerkvergadering, besloten. Ja, want de sacramenten, ontlenen hun kracht niet aan de bedienaren ervan, aan de waardigheid dan wel onwaardigheid daarvan. De sacramenten zijn slechts afhankelijk van Christus zelf. De kracht van de sacramenten, de heilige geheimen van ons geloof; de kracht daarvan komt alleen maar van Hem, van Christus. Op momenten van wanhoop en vertwijfeling, veelgeliefden, houd ik mij daar aan vast: God is. Jezus Christus is aanwezig. Hij die zit aan de rechterhand van de Vader deelt zichzelf mede in en door de sacramenten van de Kerk - hóe problematisch diezelfde kerk of haar bedienaren verder eventueel soms mogen zijn voor ons ... Toch is Christus, het mensgeworden Woord van God, in diezelfde Kerk en haar sacramenten aanwezig. Als je daar goed bij stilstaat, veelgeliefden, dan vind je in dát bewustzijn, nee in dat ge/óóf steeds opnieuw toch weer vreugde. Moge die vreugde de onze zijn, vreugde vàn en vóór Jakob, vreugde vàn en vóór Esau. Moge Christus' kracht, waarheid en vreugde ons met elkaar, hoe verschillend we ook zijn, moge Christus ons met onszelf, met onze wereld en onze kerk steeds weer verzoenen - opdat wij en de wereld en de kerk zich daardoor ook vernieuwen. Amen.