Goddelijke ruimte (2003)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden
‘Wie in de liefde woont, woont in God.’ Een magnifieke zin! De uitdrukking ‘in de liefde wonen’ is ontroerend eenvoudig. Ze roept iets in mij op dat ik meen te herkennen, iets van heimwee. Je zou niets liever willen dan wonen in de liefde. Wat is dat toch?

BABY-KAMER

De zin komt soms spontaan in me op als ik op bezoek ben bij jonge mensen die vader en moeder zijn geworden. Ze spreiden een niet eerder gekende zorg ten toon. Je wordt gemaand zachtjes te praten. Soms zelfs je schoenen uit te  doen. Nog even wachten met kijken, want hij slaapt nog. Het kamertje is in zachte kleuren geschilderd. Alle muren ademen de kleine een welkom toe. Alles hoeken zijn zachte plooien geworden. Het hele levensritme in huis is op zijn maat gesneden. Hij woont in de liefde.
Het kindje zelf is zich daarvan nog niet bewust. Het vindt de liefdevolle omgeving zo vanzelfsprekend als was hij God. Zijn zaligheid wordt in het scheppingsverhaal al beschreven. Nadat God de mens had geschapen zag Hij dat deze ‘zeer goed’ was. Het kindje woont in God en de ouders voelen dat.

VERLIEFDHEID

Zelf moet het kind wachten tot zijn eerste verliefdheid. Dan ervaart het opnieuw, maar nu bewust, ‘dat God zag dat hij zeer goed was’. Verliefdheid opent onze ogen voor het wonder van de ander. De ander is een uniek beeld van God. De verliefde ziet het. Hij is blind voor de banaliteit. De gelieven wonen in elkaars armen en in God.
De kinderjaren verstrijken en verliefdheden gaan voorbij. Maar een mens kan door de jaren groeien.

OUDERDOM

Daar stond een paar weken geleden een aardig onderzoek over in de krant. Oudere mensen worden met de jaren milder. Het bericht viel me op. Ik heb vaker gezegd dat verrekkelingen verrekkelingen bleven, hoe oud ze ook werden. Onderzoek wijst anders uit. Ouderen groeien in barmhartigheid. Ze raken iets kwijt van een neurotische krampachtigheid. Inderdaad kom je soms mensen tegen die iets heel ontwapenends over zich hebben. Ze zijn niet constant bezig een cool image hoog te houden. Ze proberen niet te imponeren en de ander klein te krijgen. Ze hebben weinig eigen belangen meer die ze nastreven. Ze genieten de zon en elke voorbijganger. Ze hebben voor iedere mens een goed woord. Ze geloven niet meer in conflicten en vijandschap. Ze zijn naar de wereld gaan kijken zoals God ernaar kijkt: zonder baatzuchtigheid.

TANTE MARIA

Ik had zo’n oud-tante in Helden-Panningen. Ze was in het zwart gekleed en - zover ik mij herinner - altijd bezig met aardappels schillen. Ze heette Maria. Ze woonde met enkele ongehuwde zussen in een hotel dat ze samen bestierden. De andere zussen hadden een bedrijvige drukte over zich. Ze waren bezig met de wereld en zichzelf. Ze liepen belangrijk op en neer. Eentje met een gaasje om haar struma, de ander met hoge kakelende stem en een portje in de hand voor de gezondheid. Maria niet. Een kind heeft daar een antenne voor. Tante Maria had een blauw geruite handdoek op haar schoot en een zinken kuip waarin ze worteltjes schraapte of boontjes dopte. Als je binnenkwam glimlachte ze innig. Je ging vanzelf naast haar zitten. Veel werd er niet gezegd. Ze moest in de oorlog afschuwelijke dingen hebben meegemaakt. Maar ze sprak zonder bitterheid. Ze generaliseerde nooit. Ze had de wereld niet opgedeeld in goed en kwaad. Een chocolade toffee be-eindigde het bezoek. Ze zwaaide je goejedag, want kusjes geven hoefde niet en opstaan kon ze niet. Ze woonde in de liefde.

ONBAATZUCHTIGHEID

Zoiets moet Johannes bedoelen. Er is een ruimte waar ruimte is voor alle mensen. Een ruimte waar mensen niet op zichzelf uit zijn maar op de ander. Dat is de ruimte waarin de Eeuwige bestaat. In die ruimte delen wij ons bestaan met Hem.
Wie in de liefde woont, woont in God. In het huis van de liefde wordt God volmaakt. Ik voel aan wat er wordt bedoeld. Ik voel er heimwee bij, Ik woon er nog niet. Maar ik heb er wel al een paar keer gelogeerd.

GOD OP STAP

Lieve kinderen.
Op zekere dag maakte de goede God in de hemel bekend dat Hij weer eens een kijkje wilde nemen op aarde. De engelen schrokken hevig. Ze wisten nog maar al te goed hoe het was afgelopen met Jezus. Maar God hield voet bij stuk. ‘Het zijn mijn kinderen, ik heb ze geschapen en ik wil weten hoe het met ze gaat.’
God liet zijn wijze blik dwalen over de wereld, op zoek naar een geschikt plekje om neer te dalen. Toen hoorde Hij in de verte de naam van Jezus zingen. Hij spitste de oren en kwam terecht bij een grote kathedraal. Daar liepen mensen in plechtige kleren. Die zongen prachtige liederen. En jawel, daar hing een groot beeld van Jezus-aan-het-kruis. Maar God voelde zich er niet erg thuis. Het was wel mooi, maar ook een beetje saai. Hij keek goed in alle stalletjes en in moskeeën. Hij probeerde het in tempels en in grotten. Hij was in Afrika bij de kamelen en de leeuwen. Opnieuw zag Hij hoe goed de dieren en de planten waren en hoe goed de zee was en het licht. Hij genoot ervan, maar nergens vond Hij een plek om thuis te zijn.
Toen zag God twee kindjes, ergens in Afrika. Ze speelden in een wei met bomen. Ze renden elkaar achterna en ze klommen in de takken van de boom. Ze lachten hard en riepen elkaars namen. Ineens bleef het oudste meisje staan. ‘Nou moet ik naar huis, hoor!’ ‘Nu al?’ vroeg het andere kind’. ‘Ja’, zei de kleine meid. ‘Mamma is ziek en ik moet water halen en eten koken.’ ‘Zal ik je helpen?’ Gearmd liepen de meisjes naar de hut waar mamma lag. God kreeg tranen in Zijn ogen. ‘Hier wil ik wonen. Hier voel ik me thuis, in de liefde van mensen.’ En daar is God blijven wonen. Daar kun je hem tegenkomen. Vandaag al!