Gods liefde is universeel, zo mogen wij van Jezus (blijven!) leren (2009)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 538 niet laden

Afgelopen week kwam de leider van de ChristenUnie, vicepremier André Rouvoet, in het nieuws toen hij afstand nam van de grootste coalitiepartner, het CDA. Nu zijn we tegenwoordig in de kerk erg voorzichtig om ons niet in partijpolitiek te mengen. Ook vandaag hoeft u van mij geen stemadvies voor of tegen welke partij dan ook te verwachten. Waar het mij om gaat, is het onderwerp waarover deze twee partijen van mening verschillen. Als vertegenwoordiger van een christelijke partij verwijt Rouvoet een andere christelijke partij, dat ze niet principieel genoeg trouw zijn aan het grootste christelijke gebod, namelijk dat Jezus ons leert om onze naaste lief te hebben. In dit geval gaat het er om dat Rouvoet vindt dat wat het CDA wel voor christenen opeist, zoals het recht op eigen christelijke scholen, het aanstellen van christelijke aalmoezeniers etc., evenzeer zou moeten gelden voor anderen, dus ook voor de moslims in ons land. Concreet verwijt hij de grote broer, de CDA-fractie, opportunisme en populisme,omdat zij om strategische redenen, om zo de PVV van Geert Wilders de wind uit de zeilen te nemen, tegen de aanstelling van een moslim geestelijk verzorger hebben gestemd.

Op zich ben ik er nooit zo'n voorstander van als mensen elkaar de maat nemen. Ik ken mijn eigen allergie op dat punt. Wat ik in dit geval wel interessant vind, is dat er van het CDA geen reactie is gekomen. Normaal gesproken kun je bij een verwijt van de ene partij aan een andere, onmiddellijk een reactie verwachten, meestal in de vorm van terugslaan met eigen verwijten. Nu blijft het oorverdovend stil, en dat doet vermoeden dat Rouvoet hier een gevoelige snaar raakt.

In het evangelie zegt Jezus vandaag tegen zijn leerlingen: 'Dit is mijn gebod: heb elkaar lief.' Nu kunnen we ons natuurlijk afvragen of dit gebod aan zijn vrienden om elkáár lief te hebben, iets anders is dan het grote gebod: 'Heb je naaste lief als jezelf.' Die vraag komt elders in het evangelie terug als de vraag: 'Wie is mijn naaste?' Is dat alleen de kring van gelijkgestemden, van medegelovigen, christenen, familie, vrienden? Zou Jezus zijn leerlingen daarom vandaag 'vrienden' zijn gaan noemen? In de parabel van de barmhartige Samaritaan laat Jezus die vraag ondubbelzinnig beantwoorden: de naaste van die arme, beroofde Joodse man langs de kant van de weg is degene die hem echt ziet, wíl zien, zich over hem ontfermt, hem weer op de benen zet. Niet de mensen uit de eigen kring, uit het eigen volk of geloof, niet de priester of de leviet, maar de Samaritaan, de man uit dat minderwaardige volkje, met dat geloof dat niet deugt, die is voor hem werkelijk de naaste.

Het lijkt misschien wat raar, maar hier ligt volgens mij de verbinding tussen de beide lezingen. In de eerste lezing hoorden we namelijk hoe Petrus met heel veel moeite tot de ontdekking komt dat de boodschap van Jezus, waar hij zich na de dood en opstanding van Jezus, en vooral na Pinksteren, volledig voor inzet, niet alleen voor Joodse mensen bestemd is, maar ook voor alle andere (heidense) volken. Het is een prachtig verhaal in Handelingen 10 waar wij nu een paar fragmenten van hoorden, waarin ons tegelijk met Petrus wordt duidelijk gemaakt dat het echt Gods wil en Gods plan is dat álle mensen delen in zijn liefde. Het wordt zo geschreven dat we - in de beelden en technologie onze tijd - als het ware met twee camera's op twee plekken tegelijk kunnen kijken. Petrus is in Joppe (Jaffa) in het huis waar hij logeert, aan het bidden, als hij in een visioen, de opdracht krijgt om de Joodse spijswetten te overtreden, en te eten zoals de heidenen dat (mogen) doen. Petrus protesteert natuurlijk, want dit gaat in tegen alles waar hij heel zijn leven in gelooft. Tot drie keer toe - hoort u 'm: Petrus, tot drie keer toe! - wordt hem door een stem gezegd dat hij niet onrein mag maken, wat God gezuiverd heeft. Tegelijkertijd is er in Caesarea een Romeinse honderdman, dus hartstikke heidens, en een bezetter, die geïnteresseerd is in het Jodendom, en in hun God. En bij hem komt een engel van God die hem zegt dat hij Petrus uit Joppe moet laten halen. En zo horen we hoe Petrus binnenkomt in het huis van Cornelius, de honderdman, die voor Petrus meteen op de knieën valt alsof hij een (Romeinse) godheid is.
Dan gebeurt er wat met Petrus. Feitelijk is het niet alleen de bekering van Cornelius tot het Jodendom, en meteen ook tot Jezus, maar ook de bekering van Petrus die hier een belangrijke aanzet krijgt om de boodschap van Jezus voortaan ook met anderen, niet-Joden, zoals met ons, te durven delen. Hij herkent namelijk Gods goede Geest, in die visioenen en boodschappen van engelen, en ook in deze goede - heidense - mensen.
Dat zo'n omslag niet zonder slag of stoot gaat, is kennelijk iets van alle tijden en plaatsen. Petrus had er moeite mee, net als zo vele anderen in de Bijbel, en ongetwijfeld ook velen van ons. (Het gold volgens mij zelfs ook voor Jezus zelf. Als we het evangelie nauwkeurig lezen, dan merken we dat Jezus zich in eerste instantie heel nadrukkelijk alleen tot het Joodse volk, zijn eigen geloofsgenoten richt, en dat ook hij met hulp van een Samaritaanse vrouw als het ware een bekering nodig heeft voor hij de boodschap van Gods liefde ook tot alle anderen richt.)
Misschien is het daarom ook wel goed dat Rouvoet deze gewetensvragen stelt, niet alleen aan zijn politieke collega's, maar aan ons allemaal, op zijn minst aan alle christenen.

Hiermee zijn we natuurlijk nog niet klaar, want de belangrijkste vraag vandaag blijft wat Jezus ons nu wil zeggen, als hij bij het laatste avondmaal zijn leerlingen de boodschap meegeeft dat zij - en dus: dat wij - die hij vandaag zelfs zijn vrienden noemt, van hem de opdracht, het gebod krijgen om in zijn liefde te blijven en elkaar lief te hebben, zoals hij zich aan de geboden van zijn Vader heeft gehouden en in zijn liefde is gebleven.

De afgelopen twee weken hoorden we Jezus in diezelfde lange boodschap spreken over de goede herder en zijn schapen, en over de wijngaardenier, de wijnstok en de ranken. Beide keren ging het over de band van Jezus met zijn Vader, de echte herder, de wijngaardenier, als basis voor de band van Jezus met ons, zijn leerlingen en vrienden. Vandaag benoemt Jezus ditzelfde thema ook met die grote woorden: liefde en vriendschap, en zeker als we ook naar de eerste lezing hebben geluisterd, en kijken naar heel Jezus' leven, dan mogen we zeggen: Gods liefde is universeel, Gods liefde sluit niemand uit. God heeft ons allemaal, ieder van ons zó lief alsof wij de enige mens ter wereld zijn, de allerliefste. Maar wat moeten wij daarmee, als we dan te horen krijgen dat wij ook zó moeten liefhebben. Dat kunnen we niet, want Gods liefde is wel universeel, maar ik ben God niet. Ik kan niet zó van iedereen houden, want dan ga ik kapot. Als ik van iedereen houd, houd ik van niemand; als ik voor iedereen zorg, zorg ik voor niemand. En toch ... kijkend naar Jezus, luisterend naar Jezus komen we op het spoor hoe het wel kan.
En dan begint het toch bij Gods liefde: eerst heeft God ons lief; en van(uit) die liefde mogen wij (uit)delen. Aan wie? Aan onze naaste! Net als Jezus vertelde, en deed: aan degenen die op onze weg komen. Dat is onze naaste: die op onze weg komt, met wie wij ons gewone dagelijkse leven mogen delen. Zo mogen wij ons leven geven, in liefde en vriendschap, net als Jezus heeft gedaan. Niet ons leven geven door te sterven aan een kruis, mogen we aannemen, maar wel de grootste liefde door in zijn voetspoor ons leven te geven met en voor wie wij leven. Dat doet die vrouw die zichzelf wegcijfert voor haar zieke, hulpbehoevende man. Dat doen we waar we onze vriendschap en inspiratie delen, elkaar ondersteunen en trouw zijn. Elkaar? Ja, elkaar, wij christenen en alle anderen met wie wij de wereld en het leven mogen delen.