6e zondag in de paastijd B - 2012

‘Sta op, ik ben ook maar een mens.’ Woorden van Petrus wanneer de Romeinse officier Cornelius voor hem knielt.

Zusters en broeders, in de eerste lezing hoorden we een bijzonder belangrijke episode uit De handelingen van de apostelen. Cornelius is een heel vrome Romein. In een visioen wordt hem gemeld dat hij zich tot Petrus moet wenden voor het ware geloof. Ongeveer op hetzelfde ogenblik wordt aan Petrus in een visioen duidelijk gemaakt dat er voor God geen onreine mensen bestaan, want voor Hem zijn alle mensen gelijk. Dus wil Petrus niet dat de heiden Cornelius voor hem knielt.  Hij ziet in dat niet-joden evenwaardig zijn aan joden, en dat Gods Blijde Boodschap voor alle mensen geldt. Bijna als bewijs daarvan daalt tot verbazing van de joodse aanwezigen in het huis van de Romeinse officier Gods Geest over allen neer: over niet-joden zo goed als over joden. Zonder onderscheid.

Dat is vandaag niet anders: Gods Geest daalt neer over allen die in Hem geloven en zijn Woord onderhouden: zijn Woord van liefde, van vrede en rechtvaardigheid. Zij  geest daalt neer over mannen en vrouwen, geestelijken en leken. Allen, zonder onderscheid, zijn wij gezegend met Geest en met kracht.

Misschien zou dat meer tot ons moeten doordringen: dat God geen onderscheid maakt tussen mensen, en dat Gods Geest rust op ieder van ons. Dus ook op die mens die een paar stoelen of banken van ons af zit, en met wie we het misschien niet echt goed kunnen vinden. En op die christen die heel andere accenten legt. En op die mens met een heel andere taal en een heel andere cultuur dan de onze. Voor God zijn al die mensen gelijk, en allen leven ze in en door de kracht van zijn Geest.

En misschien moest dat besef ook meer doordringen tot het Kerkelijk beleid. Misschien moest dat beleid de woorden van Petrus tot de zijne maken: ‘Ik ben ook maar een mens.’ Vanuit die nederigheid zou het voor het beleid wellicht heel gewoon worden om te aanvaarden dat Gods Geest rust op alle mensen: op geestelijken, maar ook op leken, op mannen en op vrouwen, op getrouwden en op ongetrouwden. En ook op mensen met een andere geaardheid rust zijn Geest, want allen zijn we zijn kinderen, en Hij maakt geen onderscheid tussen ons.

Zusters en broeders, het is bijna midden mei, de Mariamaand. En Maria is bij uitstek de mens in wie duidelijk geworden is dat er bij God geen aanzien des persoons is. Hij richt zich immers niet tot een of andere koningsdochter of dochter van de hogepriester in Jeruzalem om de moeder van zijn Zoon te worden, nee, Hij kiest daarvoor een eenvoudig meisje uit het volk. Je weet hoe Maria gereageerd heeft: ze schrok zich te pletter bij de vraag van de engel, wellicht begreep ze niet eens de draagwijdte ervan, maar toch gaf ze zich over aan God, en sprak ze de onvergetelijke woorden: ‘Mij geschiede naar uw woord.’ Dezelfde woorden die Jezus later sprak in de Hof van Olijven, de avond voor zijn lijden en dood: ‘Vader, niet mijn wil geschiede, maar de uwe.’

De nederigheid van Petrus die zegt: ‘Ik ben ook maar een mens’, zijn inzicht dat God geen onderscheid maakt tussen mensen maakt, en de bereidheid van Maria om mee te gaan in het verhaal van God met zijn mensen: als wij en onze Kerk dit alles tot het onze maken, zijn we goed op weg om te leven naar het gebod dat Jezus in het evangelie geeft: ‘Heb elkaar lief zoals Ik u heb liefgehad.’ Twee keer zegt Hij het, om het ons goed in te prenten: dat liefde, zijn liefde, ons leven moet leiden.

Moge het zo zijn: dat we elkaar, dat we al Gods schepselen liefhebben zoals God ons allen liefheeft. Met de nederigheid van Petrus dat we ook maar mensen zijn, met de bereidheid van Maria, en zonder aanzien des persoons, want God maakt geen onderscheid tussen mensen. Amen.