Een handreiking om te geloven (2006)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 538 niet laden

Als wij het hebben over "de ongelovige Tomas" zegt dit meer over ons(over ons taalgebruik en ons idee van geloof en ongeloof) dan over Tomas.

Meestal bedoelen wij met "een ongelovige" iemand die niet in God gelooft. Dit is bij Tomas niet aan de orde. Sterker nog, het kwam in zijn tijd praktisch niet voor, want iedereen geloofde wel in de een of andere God.

Wat wij bij Tomas bedoelen als we hem ongelovig noemen, is dat hij op het hoogtepunt van ons geloof, Pasen, niet even snel meegaat als de andere leerlingen. Dat hij er de eerste keer niet bij was en dus niet dezelfde ervaringen had gedeeld, vergeten we dan gemakshalve, en dat vergroot het onrecht dat we Tomas doen.

Met name komt de uitdrukking "ongelovige Tomas" van de woorden van Jezus: "Wees niet langer ongelovig, maar gelovig."
Onze conclusie uit Jezus' woorden "Wees niet langer ongelovig" is: Tomas was dus ongelovig. En "Tomas was een ongelovige" roept bij ons al gauw een moreel oordeel op: hij deugt niet, hij wordt afgewezen.

Nu helpt het in het Nieuwe Testament bij de woorden "geloof" en "geloven" altijd om de andere betekenis van de Griekse woorden pistis en pisteuo er naast te leggen om de betekenis van deze woorden beter te verstaan, namelijk vertrouwen.

Dan horen we Jezus zeggen: "Heb vertrouwen." Jezus wijst Tomas dus niet af, velt geen moreel oordeel over hem, maar Jezus doet hem - letterlijk! - een handreiking: "Kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij."

Dan wordt opeens duidelijk dat Tomas geen ongelovige is die niet in God gelooft of het christelijke dogma van de verrijzenis loochent, maar dat Tomas het na de dood van Jezus moeilijk vindt om het vertrouwen te bewaren.

Ook wij mogen dit evangelie verstaan als een handreiking, juist ook als wij het moeilijk vinden om het vertrouwen te bewaren, als het ons niet meevalt, als het in ons leven tegenzit.

Dat het uitgerekend Tomas is die op deze manier centraal staat in dit verhaal is veelzeggend, want Tomas is steeds degene geweest die zo graag Jezus op zijn weg heeft willen volgen, maar daar ook altijd de nodige moeite mee had.
Hij wordt niet genoemd in het rijtje van de leerlingen vanaf het allereerste begin (1, 35). Wel komt hij vóór dit verhaal twee keer eerder aan bod.
De eerste keer is bij de ziekte en dood van Jezus' goede vriend Lazarus. Jezus wil dan voor hem naar Judea teruggaan, maar zijn leerlingen protesteren daartegen omdat Jezus daar bedreigd was en het risico liep gestenigd te worden. Tomas is dan degene die zegt: "Laten ook wij maar gaan, om met hem te sterven."
De andere keer is als Jezus zijn heengaan heeft aangekondigd om een plaats voor zijn leerlingen te bereiden, en daarbij zegt dat zij de weg daarheen kennen. Tomas is dan degene die zegt: "Wij weten niet eens waar u naartoe gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?" Hierop maakt Jezus zich bekend als "de weg, de waarheid en het leven."

Tomas is dus degene die niet blindelings volgt, die kan twijfelen (heet hij daarom de Tweeling?), maar die uiteindelijk wel gaat.

Zo is het ook nu.
Hij is Jezus gevolgd op zijn weg, en die weg is uiteindelijk uitgelopen op de dood. En nu zeggen de anderen: "Wij hebben de Heer gezien!" Dat wil Tomas dan ook wel zien, dat het werkelijk Jezus is, de Gekruisigde. Want alleen dan, als hij met eigen ogen kan zien dat de Gekruisigde leeft, dan weet hij dat Jezus' weg toch een weg ten leven is, en durft hij ook vol vertrouwen zelf die weg te gaan, verder dan wie ook. Dan belijdt hij: "Mijn Heer, mijn God!"

In Tomas ontmoeten wij een beeld van zoekend vertrouwen, van niet-weten en willen weten, van aanraken om te geloven en verlangen om aangeraakt te worden. Uiteindelijk vindt hij zijn rust in de ontmoeting met Jezus.
Ons wordt dit doorverteld, zo zegt het laatste vers van vandaag,
opdat het evangelie van Pasen in ons doorgaat doordat wij tot geloof, tot vertrouwen komen en op weg gaan.