Tweede zondag van Pasen (2003)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 201 niet laden
Ik ben altijd gewend om mijn preek te beginnen met "beste medegelovigen". Dit om aan te geven dat we samen zijn als gelovige mensen en dat de voorganger daarbij geen klasse apart is in het gelovig zijn. In mijn kinderjaren begon onze pastoor altijd met "beminde gelovigen". Toen vond ik dat heel gewoon, nu zet ik er wel wat vragen bij. Waren al die gelovigen wel zo bemind bij hun herders? Of andersom? En meer nog: waren al die mensen in de kerk wel echte gelovigen? Daar kun je, terugkijkend, best wat vraagtekens bij zetten.
De kerken waren weliswaar vol op de zondagmorgen, maar wat betekende het feitelijk voor de kerkgangers? Hoeveel van die kerkgangers waren er echt uit overtuiging en hoeveel kwamen er puur uit gewoonte, uit sleur en hoeveel omdat het wel moest? De sociale controle was toen meestal heel sterk.
Bovendien werd men vanaf de preekstoel vaak bang gemaakt: wie op zondag niet naar de kerk ging, deed een doodzonde en als die dan plotseling dood zou gaan, ging die persoon recht naar de hel. Maar bang zijn voor God is beslist geen vorm van gelovig zijn, geloven heeft te maken met vertrouwen en dat gaat niet samen met angst.
Velen hadden het idee: als je maar goed staat met God door te doen wat je moest doen, d.w.z. op zondag naar de kerk gaan, dan kon je door de week best een beetje sjoemelen. Dan kreeg je een situatie als: op zondag braaf naar de kerk en op maandag en de rest van de week soms liefdeloos en onrechtvaardig zijn.
Het leek er wel eens op alsof geloven alleen in de kerk thuis hoorde, buiten de kerk kon je je eigen gang gaan Waar dat zo was, klopte er iets niet met gelovig zijn, want geloven heeft wezenlijk te maken met een manier van leven, van goed leven, van leven waarin het gebod van de liefde bovenaan staat.
Je had vroeger, en ook nu nog wel, mensen die alles precies wisten, die precies konden zeggen hoe het geloof in elkaar zat, welke regels je daarbij moest onderhouden, welke waarheden je moest aanvaarden. Maar zeker weten gaat feitelijk nooit samen met echt gelovig zijn. Geloven heeft wezenlijk iets van tasten in het duister, dingen aanvoelen zonder ze echt te kunnen bewijzen.
Bovendien: je gelooft niet in waarheden maar je gelooft in een persoon, die veel voor je betekent, aan wie je je toevertrouwt, God, Jezus van Nazaret met zijn boodschap, met zijn idealen. En omdat je in die persoon gelooft, ga je met hem in zee, wil je ook leven volgens zijn idealen, volgens zijn bedoelingen.
Dus ben je als gelovige mens steeds op zoek, stel je steeds vragen, aan jezelf, aan anderen: wat bedoelt hij precies? Wat vraagt hij van ons? Zo zou het tenminste moeten zijn. Toch zit gelovig zijn niet in je hoofd, maar in je hart, en wordt zichtbaar in je spreken, in je manier van kijken, in de dingen die je handen doen.
In de evangelietekst van vandaag hebben we Tomas ontmoet, vaak ook de ongelovige Tomas genoemd, maar eigenlijk is dat een heel verkeerde benaming. De nuchtere Tomas zou een veel betere titel zijn. Hij was iemand die niet zomaar alles slikte wat men hem vertelde en dat is een heel goede en gezonde eigenschap. Ook gelovige mensen moeten kritisch zijn in hun geloofsbeleving, niet alles zomaar blindelings aanvaarden wat er gezegd wordt, al dan niet van boven af. Ook gelovige mensen moeten zelf nadenken over de zin van leven en geloven en er moet ruimte zijn voor een stuk eigen invulling ervan.
In onze tijd heb je gelovige mensen bij wie dat gelovig zijn heel erg vaag is, haast leeg en zonder inhoud, zo van: er zal wel iets zijn, maar vraag me niet wat. Maar ze willen er ook niet over nadenken: dat is veel te verwarrend. Je hebt mensen die eerlijk zoekend zijn, die proberen iets te begrijpen van waar het om gaat in de christelijke godsdienst.
Je hebt er ook die niet zoveel nadenken maar wel heel concreet doen wat Jezus ons heeft voorgehouden. Misschien hebben we van alles een beetje in ons, ik hoop in elk geval dat ik terecht kan zeggen: beste medegelovigen.