Tweede zondag van Pasen (2009)

Beste dorpsgenoten,

We beginnen met het evangelie, te verstaan als een brief van een pastoor of bisschop, gericht aan zijn parochie of bisdom, waarin hij onder andere een appeltje met hen schilt.

Als hij dan binnen tien regels drie keer het woord vrede gebruikt, wil dat zeggen dat er op dat gebied wat haperde. Wat dat was, weten wij niet. Daarnaast is "drie keer" ook een stijlfiguur, dat heel veel voorkomt in de bijbel, denk maar aan: "Verrezen op de derde dag." De drie koningen, twee Emmaüsgangers bij wie een derde, een "vreemde" zich aansluit, en dan gebeurt er wat. En als wij samen iets heel zwaars op willen tillen, dan gaat dat met "Een, twee, drie."

Drie slaat dan op een bijzondere situatie, op een ingrijpen door God of iets dergelijks.

En in die geest kunnen we ook verstaan waarom Johannes drie keer het woord vrede gebruikt.

Om te beginnen is het niet de vrede van "Een karretje op de zandweg reed," of "Op de grote stille heide, dwaalt de herder eenzaam rond.' Ook niet een begrip als "huiselijke vrede." Zelfs niet de afwezigheid van twist of vijandelijkheid, het feit dat er niet gevochten wordt. Zelfs niet de vrede die er nu in West Europa al heerst sinds 1945. Zolang is er hier eerder nooit vrede geweest.

Drie keer het woord vrede gebruiken, wil zeggen dat het gaat om iets dat wij zelf niet klaar kunnen krijgen, iets dat ons te boven gaat, een gunst die ons geschonken wordt.

In de eerste lezing hebben we gehoord hoe de eerste christenen leefden: Gemeenschappelijk bezit, eigendommen verdelen naar ieders behoefte, samen eten in blijdschap en eenvoud van hart. Dat is een soort vrede waar mensen uit zich niet toe komen. Daar moet je voor geroepen zijn. En zo voelden veel eerste christenen zich: geroepen om hun beeld van Jezus om te zetten in werkelijkheid.

Zoiets zit er bij ons niet in.

Die vrede die we zelf niet kunnen realiseren vinden we terug in: "Op de zevende dag rustte God, en Hij zag dat het goed was." Een heimwee naar die vrede vinden we terug in de woorden van Schiller: "Alle Menschen werden Brüder."

Gelukkig is er een manier om die "bovenmenselijke" vrede een kans te geven: "Wat gij wilt dat anderen aan u doen, doet dat ook aan hen." Dat klinkt alsof wij de vrede dan toch helemaal zelf in handen hebben, zoiets als In West Europa waar sinds 1945 niet meer gevochten wordt. Nee. Dat zinnetje dat in een of andere vorm wel zo'n 3000 jaar oud is, kan niet door menselijk willen alleen gerealiseerd worden. Dat zinnetje veronderstelt dat jij zelf èn die ander niet dag en nacht op jezelf bedacht hoeft te zijn. Dat niet jij alleen het goede voor hebt maar die ander ook.

Dat vraagt iets als een risico lopen, overgave, waaraan? aan wie of wat?

Kijk naar de poster. Als je ervaart dat je met zorg vastgehouden wordt, dat je verder gebracht wordt zelfs voorbij je eigen grenzen, dan kun je er gerust op zijn dat de ander aan jou zal doen wat jij aan hem doet. Anders gezegd: je zet je leven niet meer op slot, zoals je fiets.

Dat oeroude gezegde veronderstelt dat er "vrede" in je woont, iets van die zevende dag. Die vrede komt van "elders" en daarom, en daarom alleen, kun je het waarmaken.

Je hoeft je fiets niet langer meer op slot te zetten!