Nu of nooit (2003)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

MOETEN

Een mens moet van alles. Je moet belasting betalen, je moet elke dag eiwitten en vitamines eten. Je moet je auto geregeld laten keuren. Je moet je handen wassen voor het eten en twee keer per jaar naar de tandarts. Om maar eens wat te noemen! Kinderen moeten met twee woorden spreken, wat tamelijk weinig is. Ze moeten het goede handje geven.
Ons dagelijks leven is met duizend dingen gevuld die moeten. Daar komt nog bij wat we eígenlijk moeten. Eigenlijk moeten we gezinsbijdrage betalen, het cholesterolgehalte laten meten en geen hardhout gebruiken. Ons leven is volgestouwd met duizenden verplichtingen van allerlei aard. Het aantal voorschriften waaraan een schooldirecteur is gehouden, of een boer die enkele kippen heeft, een benzinestationhouder of een kerkbestuur is niet te overzien. Er moet van alles.

KUNNEN

Toch blijven er dingen in het leven die je niet kunt voorschrijven. Er zijn waarden waartoe je onmogelijk iemand kunt verplichten. Dwang zou ze teniet doen. Liefde bijvoorbeeld kun je niet forceren; dan zou het immers geen liefde meer zijn. Vergeving eveneens.
We proberen dat wel. In ons dorp was een groot tehuis voor kinderen die aan de ouderlijk macht onttrokken waren. Eind vijftiger jaren liep er een project. De kinderen werden op woensdagmiddag ondergebracht in gezinnen om met een normaal huishouden in aanraking te komen. Wij moesten dan vriendje met hen zijn. Nou, dat ging dus niet. De jongen sprak een Nederlands dat ons gek in de oren klonk. Hij rook naar ingemaakte asperges en het was ons volstrekt onduidelijk wat hij graag deed. Vriendje kun je worden, maar je kunt het niet móeten worden.

WILLEN

Met tranen in de ogen vertelde een jonge moeder dat ze slecht was. Ze moest van haar kind houden maar ze voelde kille afstand. Zelf was ze heel jong afgestaan aan een tehuis en later was ze terecht gekomen in een gezin waar ze slecht behandeld was. Nu móest ze van haar kind houden. Iedereen verwachtte dat van haar. En zelf vond ze ook dat ze dat moest. Maar ze kon niet. Huilend zat ze met haar kind op schoot.
En dan al die keren dat we ‘Neemt u mij niet kwalijk’ moesten zeggen van onze ouders. ‘Bied je excuses aan!’ ‘Zeg dat het je spijt!’ Je voelde je als kind klem gezet. Je wilde wel zeggen ‘Sorry’, maar je voelde het niet. Vergeven is niet te doen als je de spijt niet voelt. Al helemaal niet, als je de vergevingsgezindheid van de ander niet ervaart.

VERGEVEN

Jezus is dood. De leerlingen zijn ontredderd. Ze voelen zich kwetsbaar in een veel te grote wereld. Ze sluiten zich op. Zo gaat dat als je een dierbare verliest. Dan voel je je niet erg sterk. Je bent geneigd je terug te trekken; de veiligheid te zoeken achter gesloten gordijnen of de warmte van het dekbed. Jezus’ vrienden hebben elkaar opgezocht. Ze bidden, waken, en halen herinneringen op. En toen, ineens, hebben zij de nabijheid van hun overleden vriend gevoeld. Hij was er ineens.
Jezus’ uitspraken zijn opmerkelijk. Kennelijk werd Hij ervaren in het besef dat ze elkaar moesten vergeven. Kennelijk ontwaakte er in hen een nieuwe kijk op hun verdere leven toen ze zich realiseerden dat ze zijn Geest konden doorgeven. ‘Wier zonden gij vergeeft hun zijn ze vergeven. Wie ge niet vergeeft is niet vergeven.’ Zo eenvoudig.

NU OF NOOIT

Dat is heel opvallend. Jezus zegt niet: ‘jullie moeten vergeven anders zijn jullie slechte mensen.’ Móeten vergeven kan niet. Móeten liefhebben kan niet. Liefhebben en vergeven kan alleen in de ruimte van vrijheid, van mensen die elkaar respecteren.
Er wordt geen nieuw moeten opgelegd. Er wordt enkel geconstateerd hoe belangrijk het is om te vergeven zolang als je nog leeft, want nu kan het en straks niet meer. De woorden willen ons van het belang overtuigen. We mòeten niet vergeven, maar als we het niet doen gebeurt het in eeuwigheid niet. We worden uitgenodigd, uitgedaagd om de Geest van God zijn werk te laten doen, tot hier en nu.

KUSJES GEVEN

Lieve kinderen. ‘Geef tante Germaine een kus en dan gaan we naar huis.’ Mamma zei het met harde stem, dus ze meende het! Daan liep naar tante toe en tuitte zijn lippen naar haar wang. Hij kneep daarbij zijn ogen dicht. Hij rook vreemde weeiïge zoete vrouwengeuren. Hij moest ervan hoesten en veegde met zijn rechterhand zijn lippen af. Daan had geleerd dat het zo hoorde. Je hoorde tante Germaine te kussen. Daan wilde beleefde zijn. Hij kreeg genoeg cadeautjes van zijn tante. Dus, nou ja!
Als opa op bezoek kwam dan rende Daan naar de voordeur, nog voordat de bel gerinkeld had. Hij vloog opa om de hals en gaf hem een kusje.
Er zijn familieleden die geef je een kusje omdat het moet. Dat is beleefdheid. Er zijn ook mensen die geef je een kusje omdat je het wilt. Dat is liefde.
Je mag eisen dat iedereen beleefd is. Je mag hopen dat sommige mensen van je houden.